UMMATUN WAHIDA
وَ اِنَّ ہٰذِہٖۤ اُمَّتُکُمۡ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً وَّ اَنَا رَبُّکُمۡ فَاتَّقُوۡنِ ۵۲﴾
Wa-inna hathihi ommatukum ommatan wahidatan waana rabbukum faittaqooni

En voorwaar, deze godsdienst (de Islam) is jullie godsdienst, de enigste. En Ik ben jullie Heer, vreest Mij daarom.
{Qs al Muminun ayah 52}

UMMATUN WAHIDA

Wa-inna hathihi ommatukum UMMATUN WAHIDATAN waana rabbukum faittaqooni En voorwaar, deze godsdienst (de Islam) is jullie godsdienst, de enigste. En Ik ben jullie Heer, vreest Mij daarom.
 
IndexZoekenRegistrerenInloggen

Deel | 
 

 Surah Yaseen

Vorige onderwerp Volgende onderwerp Go down 
AuteurBericht
Ummatun_wahida
Admin
avatar

Aantal berichten : 419
Registratiedatum : 09-12-12

BerichtOnderwerp: Surah Yaseen   za jan 12, 2013 1:18 pm

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

یٰسٓ ۚ﴿۱﴾

036.001 Ya-seen

1. Jaa Sien.


وَ الۡقُرۡاٰنِ الۡحَکِیۡمِ ۙ﴿۲﴾

036.002 Waalqur-ani alhakeemi

2. Bij de Kuran, die vol van Wijsheid is,


اِنَّکَ لَمِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ۙ﴿۳﴾

036.003 Innaka lamina almursaleena

3. U bent inderdaad één der boodschappers


عَلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ؕ﴿۴﴾

036.004 AAala siratin mustaqeemin

4. Op het rechte pad.


تَنۡزِیۡلَ الۡعَزِیۡزِ الرَّحِیۡمِ ۙ﴿۵﴾

036.005 Tanzeela alAAazeezi alrraheemi

5. Dit is een openbaring van de Almachtige, de Genadevolle.


لِتُنۡذِرَ قَوۡمًا مَّاۤ اُنۡذِرَ اٰبَآؤُہُمۡ فَہُمۡ غٰفِلُوۡنَ ﴿۶﴾

036.006 Litunthira qawman ma onthira abaohum fahum ghafiloona

6. Opdat u een volk moogt waarschuwen welks vaderen niet zijn gewaarschuwd en dat achteloos leeft.


لَقَدۡ حَقَّ الۡقَوۡلُ عَلٰۤی اَکۡثَرِہِمۡ فَہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۷﴾

036.007 Laqad haqqa alqawlu AAala aktharihim fahum la yu/minoona

7. Het Woord heeft zich reeds bewaarheid ten opzichte van de meesten hunner, want zij geloven niet.


اِنَّا جَعَلۡنَا فِیۡۤ اَعۡنَاقِہِمۡ اَغۡلٰلًا فَہِیَ اِلَی الۡاَذۡقَانِ فَہُمۡ مُّقۡمَحُوۡنَ ﴿۸﴾

036.008 Inna jaAAalna fee aAAnaqihim aghlalan fahiya ila al-athqani fahum muqmahoona

8. Wij hebben om hun hals ijzeren banden gelegd die tot aan hun kin reiken, zodat hun hoofd omhoog geheven blijft,


وَ جَعَلۡنَا مِنۡۢ بَیۡنِ اَیۡدِیۡہِمۡ سَدًّا وَّ مِنۡ خَلۡفِہِمۡ سَدًّا فَاَغۡشَیۡنٰہُمۡ فَہُمۡ لَا یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۹﴾

036.009 WajaAAalna min bayni aydeehim saddan wamin khalfihim saddan faaghshaynahum fahum la yubsiroona

9. En Wij hebben een hinderpaal vóór hen en een hinderpaal achter hen geplaatst en Wij hebben hen gesluierd, zodat zij niet kunnen zien.


وَ سَوَآءٌ عَلَیۡہِمۡ ءَاَنۡذَرۡتَہُمۡ اَمۡ لَمۡ تُنۡذِرۡہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۰﴾

036.010 Wasawaon AAalayhim aanthartahum am lam tunthirhum la yu/minoona

10. En het is hun hetzelfde of u hen waarschuwt of niet; zij willen niet geloven.


اِنَّمَا تُنۡذِرُ مَنِ اتَّبَعَ الذِّکۡرَ وَ خَشِیَ الرَّحۡمٰنَ بِالۡغَیۡبِ ۚ فَبَشِّرۡہُ بِمَغۡفِرَۃٍ وَّ اَجۡرٍ کَرِیۡمٍ ﴿۱۱﴾

036.011 Innama tunthiru mani ittabaAAa alththikra wakhashiya alrrahmana bialghaybi fabashshirhu bimaghfiratin waajrin kareemin

11. U kunt slechts hem waarschuwen die de vermaning zou willen volgen en de Barmhartige in het verborgene vrezen. Geef hem daarom blijde tijdingen van vergiffenis en een ruime beloning.


اِنَّا نَحۡنُ نُحۡیِ الۡمَوۡتٰی وَ نَکۡتُبُ مَا قَدَّمُوۡا وَ اٰثَارَہُمۡ ؕؑ وَ کُلَّ شَیۡءٍ اَحۡصَیۡنٰہُ فِیۡۤ اِمَامٍ مُّبِیۡنٍ ﴿٪۱۲﴾

036.012 Inna nahnu nuhyee almawta wanaktubu ma qaddamoo waatharahum wakulla shay-in ahsaynahu fee imamin mubeenin

12. Voorzeker, Wij zijn het Die de doden doen herleven, en wat zij doen, optekenen evenals de sporen die zij nalaten en Wij hebben alle dingen in een duidelijk boek geschreven.


وَ اضۡرِبۡ لَہُمۡ مَّثَلًا اَصۡحٰبَ الۡقَرۡیَۃِ ۘ اِذۡ جَآءَہَا الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿ۚ۱۳﴾

036.013 Waidrib lahum mathalan as-haba alqaryati ith jaaha almursaloona

13. Geef hun de gelijkenis van de bewoners ener stad , toen de boodschappers tot haar kwamen.


اِذۡ اَرۡسَلۡنَاۤ اِلَیۡہِمُ اثۡنَیۡنِ فَکَذَّبُوۡہُمَا فَعَزَّزۡنَا بِثَالِثٍ فَقَالُوۡۤا اِنَّاۤ اِلَیۡکُمۡ مُّرۡسَلُوۡنَ ﴿۱۴﴾

036.014 Ith arsalna ilayhimu ithnayni fakaththaboohuma faAAazzazna bithalithin faqaloo inna ilaykum mursaloona

14. Wij zonden tot hen twee boodschappers maar zij verloochenden dezen waarop wij hen met een derde versterkten en zij zeiden: "Waarlijk, wij zijn tot u gezonden."


قَالُوۡا مَاۤ اَنۡتُمۡ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُنَا ۙ وَ مَاۤ اَنۡزَلَ الرَّحۡمٰنُ مِنۡ شَیۡءٍ ۙ اِنۡ اَنۡتُمۡ اِلَّا تَکۡذِبُوۡنَ ﴿۱۵﴾

036.015 Qaloo ma antum illa basharun mithluna wama anzala alrrahmanu min shay-in in antum illa takthiboona

15. Zij (de bewoners) antwoordden: "U bent slechts mensen zoals wij en de Barmhartige heeft u niets geopenbaard; u liegt slechts."


قَالُوۡا رَبُّنَا یَعۡلَمُ اِنَّاۤ اِلَیۡکُمۡ لَمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۱۶﴾

036.016 Qaloo rabbuna yaAAlamu inna ilaykum lamursaloona

16. Zij zeiden: "Onze Heer weet dat wij inderdaad tot u zijn gezonden.


وَ مَا عَلَیۡنَاۤ اِلَّا الۡبَلٰغُ الۡمُبِیۡنُ ﴿۱۷﴾

036.017 Wama AAalayna illa albalaghu almubeenu

17. Op ons rust slechts de duidelijke verkondiging (der boodschap)."


قَالُوۡۤا اِنَّا تَطَیَّرۡنَا بِکُمۡ ۚ لَئِنۡ لَّمۡ تَنۡتَہُوۡا لَنَرۡجُمَنَّکُمۡ وَ لَیَمَسَّنَّکُمۡ مِّنَّا عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۱۸﴾

036.018 Qaloo inna tatayyarna bikum la-in lam tantahoo lanarjumannakum walayamassannakum minna AAathabun aleemun

18. Het volk zei: "Waarlijk, wij beschouwen u als een slecht voorteken; als u niet ophoudt, zullen wij u gewis stenigen en een pijnlijke straf zal zeker onzerzijds over u komen."


قَالُوۡا طَآئِرُکُمۡ مَّعَکُمۡ ؕ اَئِنۡ ذُکِّرۡتُمۡ ؕ بَلۡ اَنۡتُمۡ قَوۡمٌ مُّسۡرِفُوۡنَ ﴿۱۹﴾

036.019 Qaloo ta-irukum maAAakum a-in thukkirtum bal antum qawmun musrifoona

19. Zij antwoordden: "Uw onheil is bij u. Zegt u dit omdat u vermaand bent? Nee, u bent een volk dat alle perken te buiten gaat."


وَ جَآءَ مِنۡ اَقۡصَا الۡمَدِیۡنَۃِ رَجُلٌ یَّسۡعٰی قَالَ یٰقَوۡمِ اتَّبِعُوا الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿ۙ۲۰﴾

036.020 Wajaa min aqsa almadeenati rajulun yasAAa qala ya qawmi ittabiAAoo almursaleena

20. En er kwam een man aanhollen van het verste gedeelte der stad; hij zei: "O mijn volk, volg de boodschappers;


اتَّبِعُوۡا مَنۡ لَّا یَسۡـَٔلُکُمۡ اَجۡرًا وَّ ہُمۡ مُّہۡتَدُوۡنَ ﴿۲۱﴾

036.021 IttabiAAoo man la yas-alukum ajran wahum muhtadoona

21. Volg hen, die van u geen beloning vragen en die goed geleid zijn.


وَ مَا لِیَ لَاۤ اَعۡبُدُ الَّذِیۡ فَطَرَنِیۡ وَ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۲۲﴾

036.022 Wama liya la aAAbudu allathee fataranee wa-ilayhi turjaAAoona

22. En welke reden heb ik, dat ik Hem, Die mij schiep en tot Wie u zult worden teruggebracht, niet zou aanbidden?


ءَاَتَّخِذُ مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اٰلِہَۃً اِنۡ یُّرِدۡنِ الرَّحۡمٰنُ بِضُرٍّ لَّا تُغۡنِ عَنِّیۡ شَفَاعَتُہُمۡ شَیۡئًا وَّ لَا یُنۡقِذُوۡنِ ﴿ۚ۲۳﴾

036.023 Aattakhithu min doonihi alihatan in yuridni alrrahmanu bidurrin la tughni AAannee shafaAAatuhum shay-an wala yunqithooni

23. Zal ik anderen tot goden nemen naast Hem? Indien de Barmhartige kwaad met mij zou voorhebben, zou hun bemiddeling mij niets baten noch kunnen zij mij redden.


اِنِّیۡۤ اِذًا لَّفِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۲۴﴾

036.024 Innee ithan lafee dalalin mubeenin

24. Dan zou ik inderdaad in openlijke dwaling verkeren.


اِنِّیۡۤ اٰمَنۡتُ بِرَبِّکُمۡ فَاسۡمَعُوۡنِ ﴿ؕ۲۵﴾

036.025 Innee amantu birabbikum faismaAAooni

25. Ik geloof in uw Heer, luistert daarom naar mij."


قِیۡلَ ادۡخُلِ الۡجَنَّۃَ ؕ قَالَ یٰلَیۡتَ قَوۡمِیۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿ۙ۲۶﴾

036.026 Qeela odkhuli aljannata qala ya layta qawmee yaAAlamoona

26. Er werd gezegd: "Ga het paradijs binnen." Hij riep uit: "O, als mijn volk slechts wist,


بِمَا غَفَرَ لِیۡ رَبِّیۡ وَ جَعَلَنِیۡ مِنَ الۡمُکۡرَمِیۡنَ ﴿۲۷﴾

036.027 Bima ghafara lee rabbee wajaAAalanee mina almukrameena

27. Hoe mijn Heer mij vergiffenis heeft geschonken en mij tot een der geëerden heeft gemaakt!"


وَ مَاۤ اَنۡزَلۡنَا عَلٰی قَوۡمِہٖ مِنۡۢ بَعۡدِہٖ مِنۡ جُنۡدٍ مِّنَ السَّمَآءِ وَ مَا کُنَّا مُنۡزِلِیۡنَ ﴿۲۸﴾

036.028 Wama anzalna AAala qawmihi min baAAdihi min jundin mina alssama-i wama kunna munzileena

28. En Wij zonden na hem geen schare (van engelen) uit de hemel neder (tot zijn volk) noch zenden Wij die ooit (op die wijze) neder.


اِنۡ کَانَتۡ اِلَّا صَیۡحَۃً وَّاحِدَۃً فَاِذَا ہُمۡ خٰمِدُوۡنَ ﴿۲۹﴾

036.029 In kanat illa sayhatan wahidatan fa-itha hum khamidoona

29. Het was slechts een enkele kreet en ziet; zij waren als uitgeblust.


یٰحَسۡرَۃً عَلَی الۡعِبَادِ ۚؑ مَا یَاۡتِیۡہِمۡ مِّنۡ رَّسُوۡلٍ اِلَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۳۰﴾

036.030 Ya hasratan AAala alAAibadi ma ya/teehim min rasoolin illa kanoo bihi yastahzi-oona

30. Wee, over de mensen: er komt geen boodschapper tot hen of zij bespotten hem.


اَلَمۡ یَرَوۡا کَمۡ اَہۡلَکۡنَا قَبۡلَہُمۡ مِّنَ الۡقُرُوۡنِ اَنَّہُمۡ اِلَیۡہِمۡ لَا یَرۡجِعُوۡنَ ﴿ؕ۳۱﴾

036.031 Alam yaraw kam ahlakna qablahum mina alqurooni annahum ilayhim la yarjiAAoona

31. Hebben zij niet gezien, hoeveel geslachten Wij vóór hen hebben vernietigd, die niet tot hen terugkeren?


وَ اِنۡ کُلٌّ لَّمَّا جَمِیۡعٌ لَّدَیۡنَا مُحۡضَرُوۡنَ ﴿٪۳۲﴾

036.032 Wa-in kullun lamma jameeAAun ladayna muhdaroona

32. Maar gewis, allen zullen tezamen voor Ons worden gebracht.


وَ اٰیَۃٌ لَّہُمُ الۡاَرۡضُ الۡمَیۡتَۃُ ۚۖ اَحۡیَیۡنٰہَا وَ اَخۡرَجۡنَا مِنۡہَا حَبًّا فَمِنۡہُ یَاۡکُلُوۡنَ ﴿۳۳﴾

036.033 Waayatun lahumu al-ardu almaytatu ahyaynaha waakhrajna minha habban faminhu ya/kuloona

33. En de dorre aarde is voor hen een teken; Wij doen deze herleven en brengen graan uit haar voort, waarvan zij eten.


وَ جَعَلۡنَا فِیۡہَا جَنّٰتٍ مِّنۡ نَّخِیۡلٍ وَّ اَعۡنَابٍ وَّ فَجَّرۡنَا فِیۡہَا مِنَ الۡعُیُوۡنِ ﴿ۙ۳۴﴾

036.034 WajaAAalna feeha jannatin min nakheelin waaAAnabin wafajjarna feeha mina alAAuyooni

34. En Wij hebben er tuinen van dadelpalmen en druiven aangelegd en Wij deden er bronnen ontspringen,


لِیَاۡکُلُوۡا مِنۡ ثَمَرِہٖ ۙ وَ مَا عَمِلَتۡہُ اَیۡدِیۡہِمۡ ؕ اَفَلَا یَشۡکُرُوۡنَ ﴿۳۵﴾

036.035 Liya/kuloo min thamarihi wama AAamilat-hu aydeehim afala yashkuroona

35. Opdat zij van de vruchten daarvan mogen eten, en genieten van hetgeen hun handen toebereiden. Willen zij dan niet dankbaar zijn?


سُبۡحٰنَ الَّذِیۡ خَلَقَ الۡاَزۡوَاجَ کُلَّہَا مِمَّا تُنۡۢبِتُ الۡاَرۡضُ وَ مِنۡ اَنۡفُسِہِمۡ وَ مِمَّا لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۶﴾

036.036 Subhana allathee khalaqa al-azwaja kullaha mimma tunbitu al-ardu wamin anfusihim wamimma la yaAAlamoona

36. Glorie zij Hem, Die alles in paren schiep van hetgeen op aarde groeit en van hen zelf en van hetgeen zijn nog niet kennen.


وَ اٰیَۃٌ لَّہُمُ الَّیۡلُ ۚۖ نَسۡلَخُ مِنۡہُ النَّہَارَ فَاِذَا ہُمۡ مُّظۡلِمُوۡنَ ﴿ۙ۳۷﴾

036.037 Waayatun lahumu allaylu naslakhu minhu alnnahara fa-itha hum muthlimoona

37. En voor hen is de nacht een teken. Wij nemen de dag weg en ziet! zij zijn in duisternis.


وَ الشَّمۡسُ تَجۡرِیۡ لِمُسۡتَقَرٍّ لَّہَا ؕ ذٰلِکَ تَقۡدِیۡرُ الۡعَزِیۡزِ الۡعَلِیۡمِ ﴿ؕ۳۸﴾

036.038 Waalshshamsu tajree limustaqarrin laha thalika taqdeeru alAAazeezi alAAaleemi

38. En de zon beweegt zich naar haar bestemming. Dat is het gebod van de Almachtige, de Alwetende.


وَ الۡقَمَرَ قَدَّرۡنٰہُ مَنَازِلَ حَتّٰی عَادَ کَالۡعُرۡجُوۡنِ الۡقَدِیۡمِ ﴿۳۹﴾

036.039 Waalqamara qaddarnahu manazila hatta AAada kaalAAurjooni alqadeemi

39. En voor de maan hebben Wij fasen bepaald tot zij als een oude tak van een palmboom wordt.


لَا الشَّمۡسُ یَنۡۢبَغِیۡ لَہَاۤ اَنۡ تُدۡرِکَ الۡقَمَرَ وَ لَا الَّیۡلُ سَابِقُ النَّہَارِ ؕ وَ کُلٌّ فِیۡ فَلَکٍ یَّسۡبَحُوۡنَ ﴿۴۰﴾

036.040 La alshshamsu yanbaghee laha an tudrika alqamara wala allaylu sabiqu alnnahari wakullun fee falakin yasbahoona

40. De zon mag de maan niet achterhalen noch kan de nacht de dag voorbijstreven. Zij zweven elk in hun eigen baan.


وَ اٰیَۃٌ لَّہُمۡ اَنَّا حَمَلۡنَا ذُرِّیَّتَہُمۡ فِی الۡفُلۡکِ الۡمَشۡحُوۡنِ ﴿ۙ۴۱﴾

036.041 Waayatun lahum anna hamalna thurriyyatahum fee alfulki almashhooni

41. En het is voor hen een teken, dat Wij hun nakomelingen in het geladen schip dragen.


وَ خَلَقۡنَا لَہُمۡ مِّنۡ مِّثۡلِہٖ مَا یَرۡکَبُوۡنَ ﴿۴۲﴾

036.042 Wakhalaqna lahum min mithlihi ma yarkaboona

42. En Wij zullen voor hen nog iets dergelijks scheppen, waarop zij zullen varen.


وَ اِنۡ نَّشَاۡ نُغۡرِقۡہُمۡ فَلَا صَرِیۡخَ لَہُمۡ وَ لَا ہُمۡ یُنۡقَذُوۡنَ ﴿ۙ۴۳﴾

036.043 Wa-in nasha/ nughriqhum fala sareekha lahum wala hum yunqathoona

43. En indien Wij willen, zullen Wij hen doen verdrinken, er zal dan voor hen geen helper zijn noch kunnen zij gered worden,


اِلَّا رَحۡمَۃً مِّنَّا وَ مَتَاعًا اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۴۴﴾

036.044 Illa rahmatan minna wamataAAan ila heenin

44. Dan door Onze barmhartigheid en als tijdelijk genot (voor hen op aarde).


وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمُ اتَّقُوۡا مَا بَیۡنَ اَیۡدِیۡکُمۡ وَ مَا خَلۡفَکُمۡ لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿۴۵﴾

036.045 Wa-itha qeela lahumu ittaqoo ma bayna aydeekum wama khalfakum laAAallakum turhamoona

45. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Behoedt u tegen hetgeen vóór u is en hetgeen achter u is, opdat u barmhartigheid moge worden betoond."


وَ مَا تَاۡتِیۡہِمۡ مِّنۡ اٰیَۃٍ مِّنۡ اٰیٰتِ رَبِّہِمۡ اِلَّا کَانُوۡا عَنۡہَا مُعۡرِضِیۡنَ ﴿۴۶﴾

036.046 Wama ta/teehim min ayatin min ayati rabbihim illa kanoo AAanha muAArideena

46. Maar er komt geen teken tot hen van de tekenen van hun Heer, of zij wenden er zich van af.


وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ اَنۡفِقُوۡا مِمَّا رَزَقَکُمُ اللّٰہُ ۙ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَنُطۡعِمُ مَنۡ لَّوۡ یَشَآءُ اللّٰہُ اَطۡعَمَہٗۤ ٭ۖ اِنۡ اَنۡتُمۡ اِلَّا فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۴۷﴾

036.047 Wa-itha qeela lahum anfiqoo mimma razaqakumu Allahu qala allatheena kafaroo lillatheena amanoo anutAAimu man law yashao Allahu atAAamahu in antum illa fee dalalin mubeenin

47. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Besteedt van hetgeen Allah u heeft geschonken," zeggen de ongelovigen tot de gelovigen, "Moeten wij hem voeden? Indien het Allah behaagde zou Hij hem hebben kunnen voeden. U verkeert slechts in een klaarblijkelijke dwaling."


وَ یَقُوۡلُوۡنَ مَتٰی ہٰذَا الۡوَعۡدُ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۴۸﴾

036.048 Wayaqooloona mata hatha alwaAAdu in kuntum sadiqeena

48. En zij zeggen: "Wanneer zal deze Belofte worden vervuld, als u de waarheid spreekt?"


مَا یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّا صَیۡحَۃً وَّاحِدَۃً تَاۡخُذُہُمۡ وَ ہُمۡ یَخِصِّمُوۡنَ ﴿۴۹﴾

036.049 Ma yanthuroona illa sayhatan wahidatan ta/khuthuhum wahum yakhissimoona

49. Zij wachten slechts op een plotselinge straf die hen zal overkomen terwijl zij nog aan het redetwisten zijn.


فَلَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ تَوۡصِیَۃً وَّ لَاۤ اِلٰۤی اَہۡلِہِمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿٪۵۰﴾

036.050 Fala yastateeAAoona tawsiyatan wala ila ahlihim yarjiAAoona

50. En zij zullen geen testament meer kunnen maken noch zullen zij tot hun families terugkeren.


وَ نُفِخَ فِی الصُّوۡرِ فَاِذَا ہُمۡ مِّنَ الۡاَجۡدَاثِ اِلٰی رَبِّہِمۡ یَنۡسِلُوۡنَ ﴿۵۱﴾

036.051 Wanufikha fee alssoori fa-itha hum mina al-ajdathi ila rabbihim yansiloona

51. En de bazuin zal worden geblazen, en ziet! zij zullen zich vanuit hun graven naar hun Heer haasten.


قَالُوۡا یٰوَیۡلَنَا مَنۡۢ بَعَثَنَا مِنۡ مَّرۡقَدِنَا ٜۘؐ ہٰذَا مَا وَعَدَ الرَّحۡمٰنُ وَ صَدَقَ الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۵۲﴾

036.052 Qaloo ya waylana man baAAathana min marqadina hatha ma waAAada alrrahmanu wasadaqa almursaloona

52. Zij zullen zeggen: "O wee ons, wie heeft ons van onze slaapplaatsen gewekt? Dit is hetgeen de Barmhartige heeft beloofd, en de boodschappers spraken de waarheid."


اِنۡ کَانَتۡ اِلَّا صَیۡحَۃً وَّاحِدَۃً فَاِذَا ہُمۡ جَمِیۡعٌ لَّدَیۡنَا مُحۡضَرُوۡنَ ﴿۵۳﴾

036.053 In kanat illa sayhatan wahidatan fa-itha hum jameeAAun ladayna muhdaroona

53. Het zal slechts een kreet zijn en ziet! zij zullen allen voor Ons worden gebracht.


فَالۡیَوۡمَ لَا تُظۡلَمُ نَفۡسٌ شَیۡئًا وَّ لَا تُجۡزَوۡنَ اِلَّا مَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۵۴﴾

036.054 Faalyawma la tuthlamu nafsun shay-an wala tujzawna illa ma kuntum taAAmaloona

54. En op die Dag zal geen ziel onrecht worden aangedaan, noch zult u worden beloond, behalve overeenkomstig uw daden.


اِنَّ اَصۡحٰبَ الۡجَنَّۃِ الۡیَوۡمَ فِیۡ شُغُلٍ فٰکِہُوۡنَ ﴿ۚ۵۵﴾

036.055 Inna as-haba aljannati alyawma fee shughulin fakihoona

55. Voorwaar, op die Dag zullen de bewoners van de Hemel in (een groot) werk hun geluk vinden.


ہُمۡ وَ اَزۡوَاجُہُمۡ فِیۡ ظِلٰلٍ عَلَی الۡاَرَآئِکِ مُتَّکِـُٔوۡنَ ﴿۵۶﴾

036.056 Hum waazwajuhum fee thilalin AAala al-ara-iki muttaki-oona

56. Zij en hun echtgenoten zullen zich in de schaduw op tronen nedervlijen.


لَہُمۡ فِیۡہَا فَاکِہَۃٌ وَّ لَہُمۡ مَّا یَدَّعُوۡنَ ﴿ۚۖ۵۷﴾

036.057 Lahum feeha fakihatun walahum ma yaddaAAoona

57. Zij zullen daar vruchten hebben en alles waar zij om vragen ontvangen.


سَلٰمٌ ۟ قَوۡلًا مِّنۡ رَّبٍّ رَّحِیۡمٍ ﴿۵۸﴾

036.058 Salamun qawlan min rabbin raheemin

58. Het woord van de Genadevolle Heer zal (klinken) "Vrede (vrede)."


وَ امۡتَازُوا الۡیَوۡمَ اَیُّہَا الۡمُجۡرِمُوۡنَ ﴿۵۹﴾

036.059 Waimtazoo alyawma ayyuha almujrimoona

59. (En Hij zal zeggen): "Houdt u op deze dag terzijde, o u schuldigen."


اَلَمۡ اَعۡہَدۡ اِلَیۡکُمۡ یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ اَنۡ لَّا تَعۡبُدُوا الشَّیۡطٰنَ ۚ اِنَّہٗ لَکُمۡ عَدُوٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿ۙ۶۰﴾

036.060 Alam aAAhad ilaykum ya banee adama an la taAAbudoo alshshaytana innahu lakum AAaduwwun mubeenun

60. "Gelastte Ik u niet, o u kinderen van Adam, dat u Satan niet zult dienen, daar hij een openlijke vijand van u is,


وَّ اَنِ اعۡبُدُوۡنِیۡ ؕؔ ہٰذَا صِرَاطٌ مُّسۡتَقِیۡمٌ ﴿۶۱﴾

036.061 Waani oAAbudoonee hatha siratun mustaqeemun

61. Maar dat u Mij zult dienen?" Dat was het rechte pad.


وَ لَقَدۡ اَضَلَّ مِنۡکُمۡ جِبِلًّا کَثِیۡرًا ؕ اَفَلَمۡ تَکُوۡنُوۡا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۶۲﴾

036.062 Walaqad adalla minkum jibillan katheeran afalam takoonoo taAAqiloona

62. Toch deed hij een groot gedeelte uwer dwalen. Hadt u dan geen verstand?


ہٰذِہٖ جَہَنَّمُ الَّتِیۡ کُنۡتُمۡ تُوۡعَدُوۡنَ ﴿۶۳﴾

036.063 Hathihi jahannamu allatee kuntum tooAAadoona

63. "Dit is de hel waarmede u werdt bedreigd."


اِصۡلَوۡہَا الۡیَوۡمَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَکۡفُرُوۡنَ ﴿۶۴﴾

036.064 Islawha alyawma bima kuntum takfuroona

64. Gaat daar thans binnen, omdat u haar placht te loochenen.


اَلۡیَوۡمَ نَخۡتِمُ عَلٰۤی اَفۡوَاہِہِمۡ وَ تُکَلِّمُنَاۤ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ تَشۡہَدُ اَرۡجُلُہُمۡ بِمَا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۶۵﴾

036.065 Alyawma nakhtimu AAala afwahihim watukallimuna aydeehim watashhadu arjuluhum bima kanoo yaksiboona

65. Op die Dag zullen Wij hun mond verzegelen, maar hun handen zullen tot ons spreken en hun voeten zullen getuigenis afleggen van alles wat zij hebben bedreven.


وَ لَوۡ نَشَآءُ لَطَمَسۡنَا عَلٰۤی اَعۡیُنِہِمۡ فَاسۡتَبَقُوا الصِّرَاطَ فَاَنّٰی یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۶۶﴾

036.066 Walaw nashao latamasna AAala aAAyunihim faistabaqoo alssirata faanna yubsiroona

66. En als Wij het hadden gewild, konden Wij het licht in hun ogen hebben gedoofd; dan zouden zij zich naar het pad hebben willen haasten. Maar hoe konden zij zien?


وَ لَوۡ نَشَآءُ لَمَسَخۡنٰہُمۡ عَلٰی مَکَانَتِہِمۡ فَمَا اسۡتَطَاعُوۡا مُضِیًّا وَّ لَا یَرۡجِعُوۡنَ ﴿٪۶۷﴾

036.067 Walaw nashao lamasakhnahum AAala makanatihim fama istataAAoo mudiyyan wala yarjiAAoona

67. En indien Wij wilden, zouden Wij hen op hun plaatsen hebben doen verstijven zodat zij noch vóór- noch achteruit konden.


وَ مَنۡ نُّعَمِّرۡہُ نُنَکِّسۡہُ فِی الۡخَلۡقِ ؕ اَفَلَا یَعۡقِلُوۡنَ ﴿۶۸﴾

036.068 Waman nuAAammirhu nunakkis-hu fee alkhalqi afala yaAAqiloona

68. En wie Wij een lang leven schenken, doen Wij achteruitgaan in kracht. Willen zij dan niet begrijpen?


وَ مَا عَلَّمۡنٰہُ الشِّعۡرَ وَ مَا یَنۡۢبَغِیۡ لَہٗ ؕ اِنۡ ہُوَ اِلَّا ذِکۡرٌ وَّ قُرۡاٰنٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۙ۶۹﴾

036.069 Wama AAallamnahu alshshiAAra wama yanbaghee lahu in huwa illa thikrun waqur-anun mubeenun

69. En Wij hebben hem (de profeet) het dichten niet geleerd, noch is het voor hem passend, dit is slechts een vermaning en een duidelijke verkondiging;


لِّیُنۡذِرَ مَنۡ کَانَ حَیًّا وَّ یَحِقَّ الۡقَوۡلُ عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۷۰﴾

036.070 Liyunthira man kana hayyan wayahiqqa alqawlu AAala alkafireena

70. Opdat de levenden mogen worden gewaarschuwd en opdat het oordeel tegen de ongelovigen gerechtvaardigd moge zijn.


اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اَنَّا خَلَقۡنَا لَہُمۡ مِّمَّا عَمِلَتۡ اَیۡدِیۡنَاۤ اَنۡعَامًا فَہُمۡ لَہَا مٰلِکُوۡنَ ﴿۷۱﴾

036.071 Awa lam yaraw anna khalaqna lahum mimma AAamilat aydeena anAAaman fahum laha malikoona

71. Hebben zij niet gezien, dat onder de dingen die Onze handen gemaakt hebben, Wij vee hebben geschapen, waar zij meesters over zijn?


وَ ذَلَّلۡنٰہَا لَہُمۡ فَمِنۡہَا رَکُوۡبُہُمۡ وَ مِنۡہَا یَاۡکُلُوۡنَ ﴿۷۲﴾

036.072 Wathallalnaha lahum faminha rakoobuhum waminha ya/kuloona

72. En Wij hebben het aan hen dienstbaar gemaakt, zodat sommige rijdieren zijn, en sommige tot voedsel strekken.


وَ لَہُمۡ فِیۡہَا مَنَافِعُ وَ مَشَارِبُ ؕ اَفَلَا یَشۡکُرُوۡنَ ﴿۷۳﴾

036.073 Walahum feeha manafiAAu wamasharibu afala yashkuroona

73. En zij hebben er voordelen van en dranken. Willen zij dan niet dankbaar zijn?


وَ اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اٰلِہَۃً لَّعَلَّہُمۡ یُنۡصَرُوۡنَ ﴿ؕ۷۴﴾

036.074 Waittakhathoo min dooni Allahi alihatan laAAallahum yunsaroona

74. En zij hebben andere goden naast Allah genomen, hopende dat zij mogen worden geholpen.


لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ نَصۡرَہُمۡ ۙ وَ ہُمۡ لَہُمۡ جُنۡدٌ مُّحۡضَرُوۡنَ ﴿۷۵﴾

036.075 La yastateeAAoona nasrahum wahum lahum jundun muhdaroona

75. Dezen kunnen hen niet helpen maar zij zullen als een schare tegen hen worden gebracht.


فَلَا یَحۡزُنۡکَ قَوۡلُہُمۡ ۘ اِنَّا نَعۡلَمُ مَا یُسِرُّوۡنَ وَ مَا یُعۡلِنُوۡنَ ﴿۷۶﴾

036.076 Fala yahzunka qawluhum inna naAAlamu ma yusirroona wama yuAAlinoona

76. Laat daarom hun spraak u niet verdrieten. Voorwaar, Wij weten wat zij verbergen en wat zij tonen.


اَوَ لَمۡ یَرَ الۡاِنۡسَانُ اَنَّا خَلَقۡنٰہُ مِنۡ نُّطۡفَۃٍ فَاِذَا ہُوَ خَصِیۡمٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۷۷﴾

036.077 Awa lam yara al-insanu anna khalaqnahu min nutfatin fa-itha huwa khaseemun mubeenun

77. Heeft de mens niet begrepen dat Wij hem hebben geschapen uit een levenskiem? Maar zie, hij is klaarblijkelijk een redetwister!


وَ ضَرَبَ لَنَا مَثَلًا وَّ نَسِیَ خَلۡقَہٗ ؕ قَالَ مَنۡ یُّحۡیِ الۡعِظَامَ وَ ہِیَ رَمِیۡمٌ ﴿۷۸﴾

036.078 Wadaraba lana mathalan wanasiya khalqahu qala man yuhyee alAAithama wahiya rameemun

78. En hij zet Ons verhalen voor en vergeet zijn eigen ontstaan. Hij zegt: "Wie kan de beenderen doen herleven als zij vergaan zijn?"


قُلۡ یُحۡیِیۡہَا الَّذِیۡۤ اَنۡشَاَہَاۤ اَوَّلَ مَرَّۃٍ ؕ وَ ہُوَ بِکُلِّ خَلۡقٍ عَلِیۡمُۨ ﴿ۙ۷۹﴾

036.079 Qul yuhyeeha allathee anshaaha awwala marratin wahuwa bikulli khalqin AAaleemun

79. Zeg: "Hij, Die hen voor de eerste keer schiep zal hen doen herleven; Hij heeft kennis van de gehele schepping.


الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمۡ مِّنَ الشَّجَرِ الۡاَخۡضَرِ نَارًا فَاِذَاۤ اَنۡتُمۡ مِّنۡہُ تُوۡقِدُوۡنَ ﴿۸۰﴾

036.080 Allathee jaAAala lakum mina alshshajari al-akhdari naran fa-itha antum minhu tooqidoona

80. Hij is het, Die uit een groene boom voor u vuur voortbrengt, en ziet, u steekt er (uw brandstof) van aan."


اَوَ لَیۡسَ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ بِقٰدِرٍ عَلٰۤی اَنۡ یَّخۡلُقَ مِثۡلَہُمۡ ؕ؃ بَلٰی ٭ وَ ہُوَ الۡخَلّٰقُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۸۱﴾

036.081 Awa laysa allathee khalaqa alssamawati waal-arda biqadirin AAala an yakhluqa mithlahum bala wahuwa alkhallaqu alAAaleemu

81. "Is Hij, Die de hemelen en de aarde schiep, niet in staat hun gelijken te scheppen?" Ja, inderdaad Hij is de Schepper, de Alwetende.


اِنَّمَاۤ اَمۡرُہٗۤ اِذَاۤ اَرَادَ شَیۡئًا اَنۡ یَّقُوۡلَ لَہٗ کُنۡ فَیَکُوۡنُ ﴿۸۲﴾

036.082 Innama amruhu itha arada shay-an an yaqoola lahu kun fayakoonu

82. Voorwaar, wanneer Hij Zich iets voorneemt is Zijn gebod slechts: "Wees", en het wordt.


فَسُبۡحٰنَ الَّذِیۡ بِیَدِہٖ مَلَکُوۡتُ کُلِّ شَیۡءٍ وَّ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿٪۸۳﴾

036.083 Fasubhana allathee biyadihi malakootu kulli shay-in wa-ilayhi turjaAAoona

83. Glorie zij daarom Hem, in wiens hand de oppermacht over alle dingen is! En tot Hem zult u worden teruggebracht.

Terug naar boven Go down
Profiel bekijken http://ummatun-wahida.1forum.biz
 
Surah Yaseen
Vorige onderwerp Volgende onderwerp Terug naar boven 
Pagina 1 van 1

Permissies van dit forum:Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum
UMMATUN WAHIDA :: Quran :: Volledige Quran: Arabisch, Nederlandse interpretatie en fonetisch-
Ga naar: