UMMATUN WAHIDA
وَ اِنَّ ہٰذِہٖۤ اُمَّتُکُمۡ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً وَّ اَنَا رَبُّکُمۡ فَاتَّقُوۡنِ ۵۲﴾
Wa-inna hathihi ommatukum ommatan wahidatan waana rabbukum faittaqooni

En voorwaar, deze godsdienst (de Islam) is jullie godsdienst, de enigste. En Ik ben jullie Heer, vreest Mij daarom.
{Qs al Muminun ayah 52}

UMMATUN WAHIDA

Wa-inna hathihi ommatukum UMMATUN WAHIDATAN waana rabbukum faittaqooni En voorwaar, deze godsdienst (de Islam) is jullie godsdienst, de enigste. En Ik ben jullie Heer, vreest Mij daarom.
 
IndexZoekenRegistrerenInloggen

Deel | 
 

 Surah As-Saaffaat

Vorige onderwerp Volgende onderwerp Go down 
AuteurBericht
Ummatun_wahida
Admin
avatar

Aantal berichten : 419
Registratiedatum : 09-12-12

BerichtOnderwerp: Surah As-Saaffaat   za jan 12, 2013 1:21 pm


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

فَنَظَرَ نَظۡرَۃً فِی النُّجُوۡمِ ﴿ۙ۸۸﴾

037.001 Waalssaffati saffan

1. Bij hen, die zich in rijen scharen.


فَقَالَ اِنِّیۡ سَقِیۡمٌ ﴿۸۹﴾

037.002 Faalzzajirati zajran

2. En bij hen die berispen.


فَتَوَلَّوۡا عَنۡہُ مُدۡبِرِیۡنَ ﴿۹۰﴾

037.003 Faalttaliyati thikran

3. En bij de verkondigers der Vermaning.


فَرَاغَ اِلٰۤی اٰلِہَتِہِمۡ فَقَالَ اَلَا تَاۡکُلُوۡنَ ﴿ۚ۹۱﴾

037.004 Inna ilahakum lawahidun

4. Voorwaar, (voorwaar), uw God is één (enig God),


مَا لَکُمۡ لَا تَنۡطِقُوۡنَ ﴿۹۲﴾

037.005 Rabbu alssamawati waal-ardi wama baynahuma warabbu almashariqi

5. Heer der hemelen en der aarde en van alles wat er tussen is, de Heer van het Oosten.


فَرَاغَ عَلَیۡہِمۡ ضَرۡبًۢا بِالۡیَمِیۡنِ ﴿۹۳﴾

037.006 Inna zayyanna alssamaa alddunya bizeenatin alkawakibi

6. Wij hebben de laagste hemel met sterren versierd.


فَاَقۡبَلُوۡۤا اِلَیۡہِ یَزِفُّوۡنَ ﴿۹۴﴾

037.007 Wahifthan min kulli shaytanin maridin

7. Als bescherming tegen iedere opstandige Satan.


قَالَ اَتَعۡبُدُوۡنَ مَا تَنۡحِتُوۡنَ ﴿ۙ۹۵﴾

037.008 La yassammaAAoona ila almala-i al-aAAla wayuqthafoona min kulli janibin

8. Zij kunnen van de verheven bijeenkomst niets horen en zij worden van elke kant verdreven.


وَ اللّٰہُ خَلَقَکُمۡ وَ مَا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۹۶﴾

037.009 Duhooran walahum AAathabun wasibun

9. Als verworpenen en er is voor hen een voortdurende straf;


قَالُوا ابۡنُوۡا لَہٗ بُنۡیَانًا فَاَلۡقُوۡہُ فِی الۡجَحِیۡمِ ﴿۹۷﴾

037.010 Illa man khatifa alkhatfata faatbaAAahu shihabun thaqibun

10. Maar hij die steelsgewijze opvangt, hem achtervolgt een heldere vlam.


فَاَرَادُوۡا بِہٖ کَیۡدًا فَجَعَلۡنٰہُمُ الۡاَسۡفَلِیۡنَ ﴿۹۸﴾

037.011 Faistaftihim ahum ashaddu khalqan am man khalaqna inna khalaqnahum min teenin lazibin

11. Vraag hun (de ongelovigen) of zij moeilijker zijn te scheppen, dan andere (dingen) die Wij hebben geschapen. Voorzeker, Wij hebben hen uit vaste klei geschapen.


وَ قَالَ اِنِّیۡ ذَاہِبٌ اِلٰی رَبِّیۡ سَیَہۡدِیۡنِ ﴿۹۹﴾

037.012 Bal AAajibta wayaskharoona

12. Nee, u verwondert uzelf en zij spotten.


رَبِّ ہَبۡ لِیۡ مِنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۱۰۰﴾

037.013 Wa-itha thukkiroo la yathkuroona

13. En wanneer zij vermaand worden, trekken zij er geen lering uit.


فَبَشَّرۡنٰہُ بِغُلٰمٍ حَلِیۡمٍ ﴿۱۰۱﴾

037.014 Wa-itha raaw ayatan yastaskhiroona

14. En wanneer zij een teken zien, bespotten zij het.


فَلَمَّا بَلَغَ مَعَہُ السَّعۡیَ قَالَ یٰبُنَیَّ اِنِّیۡۤ اَرٰی فِی الۡمَنَامِ اَنِّیۡۤ اَذۡبَحُکَ فَانۡظُرۡ مَاذَا تَرٰی ؕ قَالَ یٰۤاَبَتِ افۡعَلۡ مَا تُؤۡمَرُ ۫ سَتَجِدُنِیۡۤ اِنۡ شَآءَ اللّٰہُ مِنَ الصّٰبِرِیۡنَ ﴿۱۰۲﴾

037.015 Waqaloo in hatha illa sihrun mubeenun

15. En zij zeggen: "Dit is niets dan een klaarblijkelijke tovenarij."


فَلَمَّاۤ اَسۡلَمَا وَ تَلَّہٗ لِلۡجَبِیۡنِ ﴿۱۰۳﴾ۚ

037.016 A-itha mitna wakunna turaban waAAithaman a-inna lamabAAoothoona

16. "Zullen wij wanneer wij dood zijn en stof en beenderen zijn geworden, worden opgewekt?


وَ نَادَیۡنٰہُ اَنۡ یّٰۤاِبۡرٰہِیۡمُ ﴿۱۰۴﴾ۙ

037.017 Awa abaona al-awwaloona

17. En onze voorvaderen ook?"


قَدۡ صَدَّقۡتَ الرُّءۡیَا ۚ اِنَّا کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۰۵﴾

037.018 Qul naAAam waantum dakhiroona

18. Zeg: "Ja, terwijl u vernederd zult zijn."


اِنَّ ہٰذَا لَہُوَ الۡبَلٰٓـؤُا الۡمُبِیۡنُ ﴿۱۰۶﴾

037.019 Fa-innama hiya zajratun wahidatun fa-itha hum yanthuroona

19. Er zal slechts één roep zijn en ziet, zij zullen beginnen te zien.


وَ فَدَیۡنٰہُ بِذِبۡحٍ عَظِیۡمٍ ﴿۱۰۷﴾

037.020 Waqaloo ya waylana hatha yawmu alddeeni

20. Dan zullen zij zeggen: "Wee ons! Dit is de Dag der vergelding."


وَ تَرَکۡنَا عَلَیۡہِ فِی الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿۱۰۸﴾ۖ

037.021 Hatha yawmu alfasli allathee kuntum bihi tukaththiboona

21. (Allah zal zeggen:) "Dit is de Dag der Beslissing die u placht te verloochenen.


سَلٰمٌ عَلٰۤی اِبۡرٰہِیۡمَ ﴿۱۰۹﴾

037.022 Ohshuroo allatheena thalamoo waazwajahum wama kanoo yaAAbudoona

22. Verzamelt de onrechtvaardigen, hun metgezellen en hetgeen zij aanbaden


کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۱۰﴾

037.023 Min dooni Allahi faihdoohum ila sirati aljaheemi

23. Naast Allah. Leidt hen dan naar het pad van het Vuur;


اِنَّہٗ مِنۡ عِبَادِنَا الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۱۱﴾

037.024 Waqifoohum innahum masooloona

24. Maarhoudt hen staande want zij moeten worden ondervraagd."


وَ بَشَّرۡنٰہُ بِاِسۡحٰقَ نَبِیًّا مِّنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۱۱۲﴾

037.025 Ma lakum la tanasaroona

25. "Wat scheelt u dat u elkander niet helpt?"


وَ بٰرَکۡنَا عَلَیۡہِ وَ عَلٰۤی اِسۡحٰقَ ؕ وَ مِنۡ ذُرِّیَّتِہِمَا مُحۡسِنٌ وَّ ظَالِمٌ لِّنَفۡسِہٖ مُبِیۡنٌ ﴿۱۱۳﴾٪

037.026 Bal humu alyawma mustaslimoona

26. Nee, op die Dag zullen zij onderworpen zijn.


وَ لَقَدۡ مَنَنَّا عَلٰی مُوۡسٰی وَ ہٰرُوۡنَ ﴿۱۱۴﴾ۚ

037.027 Waaqbala baAAduhum AAala baAAdin yatasaaloona

27. Sommigen hunner zullen zich tot anderen wenden, elkander wederkerig ondervragend.


وَ نَجَّیۡنٰہُمَا وَ قَوۡمَہُمَا مِنَ الۡکَرۡبِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۱۱۵﴾ۚ

037.028 Qaloo innakum kuntum ta/toonana AAani alyameeni

28. Zij zullen zeggen: "Voorwaar, u placht ons op de goede weg tegen te houden."


وَ نَصَرۡنٰہُمۡ فَکَانُوۡا ہُمُ الۡغٰلِبِیۡنَ ﴿۱۱۶﴾ۚ

037.029 Qaloo bal lam takoonoo mu/mineena

29. Zij zullen antwoorden: "Nee, u was zelf geen gelovigen."


وَ اٰتَیۡنٰہُمَا الۡکِتٰبَ الۡمُسۡتَبِیۡنَ ﴿۱۱۷﴾ۚ

037.030 Wama kana lana AAalaykum min sultanin bal kuntum qawman tagheena

30. En wij hadden geen macht over u, maar u was een overtredend volk.


وَ ہَدَیۡنٰہُمَا الصِّرَاطَ الۡمُسۡتَقِیۡمَ ﴿۱۱۸﴾ۚ

037.031 Fahaqqa AAalayna qawlu rabbina inna latha-iqoona

31. Nu is het woord van onze Heer omtrent ons werkelijkheid geworden. Wij zullen gewis (de straf) smaken."


وَ تَرَکۡنَا عَلَیۡہِمَا فِی الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿۱۱۹﴾ۙ

037.032 Faaghwaynakum inna kunna ghaweena

32. En wij deden u dwalen omdat wij zelf in dwaling waren."


وَ الصّٰٓفّٰتِ صَفًّا ۙ﴿۱﴾

037.033 Fa-innahum yawma-ithin fee alAAathabi mushtarikoona

33. Waarlijk, op die Dag zullen zij allen deelgenoten zijn in de straf.


فَالزّٰجِرٰتِ زَجۡرًا ۙ﴿۲﴾

037.034 Inna kathalika nafAAalu bialmujrimeena

34. Zo behandelen Wij de schuldigen;


فَالتّٰلِیٰتِ ذِکۡرًا ۙ﴿۳﴾

037.035 Innahum kanoo itha qeela lahum la ilaha illa Allahu yastakbiroona

35. Voorzeker toen er tot hen werd gezegd: "Er is geen God naast Allah ", waren zij vanmatigend.


اِنَّ اِلٰـہَکُمۡ لَوَاحِدٌ ﴿ؕ۴﴾

037.036 Wayaqooloona a-inna latarikoo alihatina lishaAAirin majnoonin

36. En zeiden: "Zullen wij onze Goden voor die waanzinnige dichter opgeven?"


رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا وَ رَبُّ الۡمَشَارِقِ ؕ﴿۵﴾

037.037 Bal jaa bialhaqqi wasaddaqa almursaleena

37. Nee, hij is met de Waarheid gekomen en heeft die van de (vroegere) boodschappers bevestigd.


اِنَّا زَیَّنَّا السَّمَآءَ الدُّنۡیَا بِزِیۡنَۃِۣ الۡکَوَاکِبِ ۙ﴿۶﴾

037.038 Innakum latha-iqoo alAAathabi al-aleemi

38. U zult de pijnlijke straf gewis ondergaan.


وَ حِفۡظًا مِّنۡ کُلِّ شَیۡطٰنٍ مَّارِدٍ ۚ﴿۷﴾

037.039 Wama tujzawna illa ma kuntum taAAmaloona

39. En u zult slechts worden vergolden voor hetgeen u deedt.


لَا یَسَّمَّعُوۡنَ اِلَی الۡمَلَاِ الۡاَعۡلٰی وَ یُقۡذَفُوۡنَ مِنۡ کُلِّ جَانِبٍ ٭ۖ﴿۸﴾

037.040 Illa AAibada Allahi almukhlaseena

40. Maar de uitverkoren dienaren van Allah.


دُحُوۡرًا وَّ لَہُمۡ عَذَابٌ وَّاصِبٌ ۙ﴿۹﴾

037.041 Ola-ika lahum rizqun maAAloomun

41. Zullen een bekende voorziening ontvangen;


اِلَّا مَنۡ خَطِفَ الۡخَطۡفَۃَ فَاَتۡبَعَہٗ شِہَابٌ ثَاقِبٌ ﴿۱۰﴾

037.042 Fawakihu wahum mukramoona

42. Zij zullen vruchten ontvangen, en worden geëerd,


فَاسۡتَفۡتِہِمۡ اَہُمۡ اَشَدُّ خَلۡقًا اَمۡ مَّنۡ خَلَقۡنَا ؕ اِنَّا خَلَقۡنٰہُمۡ مِّنۡ طِیۡنٍ لَّازِبٍ ﴿۱۱﴾

037.043 Fee jannati alnnaAAeemi

43. In tuinen van gunsten,


بَلۡ عَجِبۡتَ وَ یَسۡخَرُوۡنَ ﴿۪۱۲﴾

037.044 AAala sururin mutaqabileena

44. Op rustbanken. tegenover elkander.


وَ اِذَا ذُکِّرُوۡا لَا یَذۡکُرُوۡنَ ﴿۪۱۳﴾

037.045 Yutafu AAalayhim bika/sin min maAAeenin

45. En een beker zal hun worden rondgereikt uit een stromende bron.


وَ اِذَا رَاَوۡا اٰیَۃً یَّسۡتَسۡخِرُوۡنَ ﴿۪۱۴﴾

037.046 Baydaa laththatin lilshsharibeena

46. Helder, smakelijk voor de drinkenden,


وَ قَالُوۡۤا اِنۡ ہٰذَاۤ اِلَّا سِحۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۚۖ۱۵﴾

037.047 La feeha ghawlun wala hum AAanha yunzafoona

47. Waardoor geen dronkenschap zal ontstaans noch zullen zij er door worden uitgeput.


ءَ اِذَا مِتۡنَا وَ کُنَّا تُرَابًا وَّ عِظَامًا ءَاِنَّا لَمَبۡعُوۡثُوۡنَ ﴿ۙ۱۶﴾

037.048 WaAAindahum qasiratu alttarfi AAeenun

48. En naast hen zullen vrouwen zijn van bescheiden blik met mooie ogen.


اَوَ اٰبَآؤُنَا الۡاَوَّلُوۡنَ ﴿ؕ۱۷﴾

037.049 Kaannahunna baydun maknoonun

49. Rein, alsof zij zorgvuldig bewaarde eieren waren.


قُلۡ نَعَمۡ وَ اَنۡتُمۡ دَاخِرُوۡنَ ﴿ۚ۱۸﴾

037.050 Faaqbala baAAduhum AAala baAAdin yatasaaloona

50. En enigen hunner zullen zich tot anderen wenden, elkander ondervragend.


فَاِنَّمَا ہِیَ زَجۡرَۃٌ وَّاحِدَۃٌ فَاِذَا ہُمۡ یَنۡظُرُوۡنَ ﴿۱۹﴾

037.051 Qala qa-ilun minhum innee kana lee qareenun

51. Een hunner zal zeggen: "Ik had een metgezel,


وَ قَالُوۡا یٰوَیۡلَنَا ہٰذَا یَوۡمُ الدِّیۡنِ ﴿۲۰﴾

037.052 Yaqoolu a-innaka lamina almusaddiqeena

52. Die placht te zeggen: "Bevestigt u inderdaad,


ہٰذَا یَوۡمُ الۡفَصۡلِ الَّذِیۡ کُنۡتُمۡ بِہٖ تُکَذِّبُوۡنَ ﴿٪۲۱﴾

037.053 A-itha mitna wakunna turaban waAAithaman a-inna lamadeenoona

53. Dat wanneer wij dood zijn en tot stof en beenderen geworden, ons inderdaad wordt vergolden?"


اُحۡشُرُوا الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا وَ اَزۡوَاجَہُمۡ وَ مَا کَانُوۡا یَعۡبُدُوۡنَ ﴿ۙ۲۲﴾

037.054 Qala hal antum muttaliAAoona

54. Hij zal vragen: "Wilt u opzien?"


مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ فَاہۡدُوۡہُمۡ اِلٰی صِرَاطِ الۡجَحِیۡمِ ﴿ٙ۲۳﴾

037.055 FaittalaAAa faraahu fee sawa-i aljaheemi

55. Dan zal hij kijken en hem in het midden van het Vuur zien.


وَ قِفُوۡہُمۡ اِنَّہُمۡ مَّسۡئُوۡلُوۡنَ ﴿ۙ۲۴﴾

037.056 Qala taAllahi in kidta laturdeeni

56. Hij zal zeggen: "Bij Allah, u deedt mij ook bijna te niet gaan."


مَا لَکُمۡ لَا تَنَاصَرُوۡنَ ﴿۲۵﴾

037.057 Walawla niAAmatu rabbee lakuntu mina almuhdareena

57. "En ware het niet door de gunst van mijn Heer, ik zou ook tot hen behoren die daar aanwezig zijn.


بَلۡ ہُمُ الۡیَوۡمَ مُسۡتَسۡلِمُوۡنَ ﴿۲۶﴾

037.058 Afama nahnu bimayyiteena

58. Zullen wij niet sterven,


وَ اَقۡبَلَ بَعۡضُہُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ یَّتَسَآءَلُوۡنَ ﴿۲۷﴾

037.059 Illa mawtatana al-oola wama nahnu bimuAAaththabeena

59. Na onze eerste dood, noch worden gestraft?


قَالُوۡۤا اِنَّکُمۡ کُنۡتُمۡ تَاۡتُوۡنَنَا عَنِ الۡیَمِیۡنِ ﴿۲۸﴾

037.060 Inna hatha lahuwa alfawzu alAAatheemu

60. Voorwaar, dit is de opperste zegepraal."


قَالُوۡا بَلۡ لَّمۡ تَکُوۡنُوۡا مُؤۡمِنِیۡنَ ﴿ۚ۲۹﴾

037.061 Limithli hatha falyaAAmali alAAamiloona

61. Laat daarom de werkers voor zo iets werken.


وَ مَا کَانَ لَنَا عَلَیۡکُمۡ مِّنۡ سُلۡطٰنٍ ۚ بَلۡ کُنۡتُمۡ قَوۡمًا طٰغِیۡنَ ﴿۳۰﴾

037.062 Athalika khayrun nuzulan am shajaratu alzzaqqoomi

62. Is dit een beter onthaal of de boom van Zaqqoem?


فَحَقَّ عَلَیۡنَا قَوۡلُ رَبِّنَاۤ ٭ۖ اِنَّا لَذَآئِقُوۡنَ ﴿۳۱﴾

037.063 Inna jaAAalnaha fitnatan lilththalimeena

63. Voorzeker, wij hebben deze tot een beproeving voor de onrechtvaardigen gemaakt.


فَاَغۡوَیۡنٰکُمۡ اِنَّا کُنَّا غٰوِیۡنَ ﴿۳۲﴾

037.064 Innaha shajaratun takhruju fee asli aljaheemi

64. Het is een boom die uit de bodem der hel ontspringt.

Terug naar boven Go down
Profiel bekijken http://ummatun-wahida.1forum.biz
Ummatun_wahida
Admin
avatar

Aantal berichten : 419
Registratiedatum : 09-12-12

BerichtOnderwerp: Re: Surah As-Saaffaat   za jan 12, 2013 1:22 pm

فَاِنَّہُمۡ یَوۡمَئِذٍ فِی الۡعَذَابِ مُشۡتَرِکُوۡنَ ﴿۳۳﴾

037.065 TalAAuha kaannahu ruoosu alshshayateeni

65. De trossen er van zijn als de koppen van duivels.


اِنَّا کَذٰلِکَ نَفۡعَلُ بِالۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۳۴﴾

037.066 Fa-innahum laakiloona minha famali-oona minha albutoona

66. En zij zullen er zeker van eten en er hun buik mee vullen.


اِنَّہُمۡ کَانُوۡۤا اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا اللّٰہُ ۙ یَسۡتَکۡبِرُوۡنَ ﴿ۙ۳۵﴾

037.067 Thumma inna lahum AAalayha lashawban min hameemin

67. Dan zullen zij bovendien een drank van kokend water ontvangen.


وَ یَقُوۡلُوۡنَ اَئِنَّا لَتَارِکُوۡۤا اٰلِہَتِنَا لِشَاعِرٍ مَّجۡنُوۡنٍ ﴿ؕ۳۶﴾

037.068 Thumma inna marjiAAahum la-ila aljaheemi

68. Daarna zal hun terugkeer zeker naar het Vuur zijn.


بَلۡ جَآءَ بِالۡحَقِّ وَ صَدَّقَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۳۷﴾

037.069 Innahum alfaw abaahum dalleena

69. Zij vonden inderdaad hun voorvaderen in dwaling.


اِنَّکُمۡ لَذَآئِقُوا الۡعَذَابِ الۡاَلِیۡمِ ﴿ۚ۳۸﴾

037.070 Fahum AAala atharihim yuhraAAoona

70. En zij haastten zich in hun voetstappen voort.


وَ مَا تُجۡزَوۡنَ اِلَّا مَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿ۙ۳۹﴾

037.071 Walaqad dalla qablahum aktharu al-awwaleena

71. En voorzeker dwaalden vóór hen velen der ouden.


اِلَّا عِبَادَ اللّٰہِ الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿۴۰﴾

037.072 Walaqad arsalna feehim munthireena

72. En Wij hadden waarschuwers tot hen gezonden.


اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ رِزۡقٌ مَّعۡلُوۡمٌ ﴿ۙ۴۱﴾

037.073 Faonthur kayfa kana AAaqibatu almunthareena

73. Ziet dan hoe het einde was van hen die waren gewaarschuwd.


فَوَاکِہُ ۚ وَ ہُمۡ مُّکۡرَمُوۡنَ ﴿ۙ۴۲﴾

037.074 Illa AAibada Allahi almukhlaseena

74. Met uitzondering der uitverkoren dienaren van Allah.


فِیۡ جَنّٰتِ النَّعِیۡمِ ﴿ۙ۴۳﴾

037.075 Walaqad nadana noohun falaniAAma almujeeboona

75. Noach riep Ons aan, en hoe uitmuntend zijn Wij in het verhoren.


عَلٰی سُرُرٍ مُّتَقٰبِلِیۡنَ ﴿۴۴﴾

037.076 Wanajjaynahu waahlahu mina alkarbi alAAatheemi

76. Wij redden hem en zijn familie uit de grote nood;


یُطَافُ عَلَیۡہِمۡ بِکَاۡسٍ مِّنۡ مَّعِیۡنٍۭ ﴿ۙ۴۵﴾

037.077 WajaAAalna thurriyyatahu humu albaqeena

77. En Wij maakten zijn nakomelingen tot de overlevenden.


بَیۡضَآءَ لَذَّۃٍ لِّلشّٰرِبِیۡنَ ﴿ۚۖ۴۶﴾

037.078 Watarakna AAalayhi fee al-akhireena

78. En Wij lieten voor hem onder de komende geslachten (de groet):


لَا فِیۡہَا غَوۡلٌ وَّ لَا ہُمۡ عَنۡہَا یُنۡزَفُوۡنَ ﴿۴۷﴾

037.079 Salamun AAala noohin fee alAAalameena

79. "Vrede zij Noach onder de volkeren."


وَ عِنۡدَہُمۡ قٰصِرٰتُ الطَّرۡفِ عِیۡنٌ ﴿ۙ۴۸﴾

037.080 Inna kathalika najzee almuhsineena

80. Zo belonen Wij inderdaad hen die goed doen.


کَاَنَّہُنَّ بَیۡضٌ مَّکۡنُوۡنٌ ﴿۴۹﴾

037.081 Innahu min AAibadina almu/mineena

81. Hij was voorzeker één Onzer gelovige dienaren.


فَاَقۡبَلَ بَعۡضُہُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ یَّتَسَآءَلُوۡنَ ﴿۵۰﴾

037.082 Thumma aghraqna al-akhareena

82. Dan deden Wij de anderen verdrinken.


قَالَ قَآئِلٌ مِّنۡہُمۡ اِنِّیۡ کَانَ لِیۡ قَرِیۡنٌ ﴿ۙ۵۱﴾

037.083 Wa-inna min sheeAAatihi la-ibraheema

83. En voorwaar, tot zijn partij behoorde Abraham;


یَّقُوۡلُ اَئِنَّکَ لَمِنَ الۡمُصَدِّقِیۡنَ ﴿۵۲﴾

037.084 Ith jaa rabbahu biqalbin saleemin

84. Toen hij tot zijn Heer kwam met een deemoedig hart;


ءَ اِذَا مِتۡنَا وَ کُنَّا تُرَابًا وَّ عِظَامًا ءَ اِنَّا لَمَدِیۡنُوۡنَ ﴿۵۳﴾

037.085 Ith qala li-abeehi waqawmihi matha taAAbudoona

85. En hij tot zijn vader en tot zijn volk zei: "Wat aanbidt u?


قَالَ ہَلۡ اَنۡتُمۡ مُّطَّلِعُوۡنَ ﴿۵۴﴾

037.086 A-ifkan alihatan doona Allahi tureedoona

86. Kiest u valse goden naast Allah?


فَاطَّلَعَ فَرَاٰہُ فِیۡ سَوَآءِ الۡجَحِیۡمِ ﴿۵۵﴾

037.087 Fama thannukum birabbi alAAalameena

87. Hoe denkt u over de Heer der Werelden?"


قَالَ تَاللّٰہِ اِنۡ کِدۡتَّ لَتُرۡدِیۡنِ ﴿ۙ۵۶﴾

037.088 Fanathara nathratan fee alnnujoomi

88. En hij (Abraham) redetwistte over de sterren,


وَ لَوۡ لَا نِعۡمَۃُ رَبِّیۡ لَکُنۡتُ مِنَ الۡمُحۡضَرِیۡنَ ﴿۵۷﴾

037.089 Faqala innee saqeemun

89. En zei: "Ik ben er ziek van."


اَفَمَا نَحۡنُ بِمَیِّتِیۡنَ ﴿ۙ۵۸﴾

037.090 Fatawallaw AAanhu mudbireena

90. En zij wendden zich van hem af en gingen weg.


اِلَّا مَوۡتَتَنَا الۡاُوۡلٰی وَ مَا نَحۡنُ بِمُعَذَّبِیۡنَ ﴿۵۹﴾

037.091 Faragha ila alihatihim faqala ala ta/kuloona

91. En hij ging heimelijk tot hun goden en zei: "Waarom eet u niet,


اِنَّ ہٰذَا لَہُوَ الۡفَوۡزُ الۡعَظِیۡمُ ﴿۶۰﴾

037.092 Ma lakum la tantiqoona

92. Wat scheelt u, dat u niet spreekt?"


لِمِثۡلِ ہٰذَا فَلۡیَعۡمَلِ الۡعٰمِلُوۡنَ ﴿۶۱﴾

037.093 Faragha AAalayhim darban bialyameeni

93. Dan begon hij hen met de rechter hand te slaan.


اَذٰلِکَ خَیۡرٌ نُّزُلًا اَمۡ شَجَرَۃُ الزَّقُّوۡمِ ﴿۶۲﴾

037.094 Faaqbaloo ilayhi yaziffoona

94. En zij (de afgodendienaren) haastten zich naar hem toe.


اِنَّا جَعَلۡنٰہَا فِتۡنَۃً لِّلظّٰلِمِیۡنَ ﴿۶۳﴾

037.095 Qala ataAAbudoona ma tanhitoona

95. Hij zei: "Aanbidt u hetgeen u zelf heeft uitgebeeld,


اِنَّہَا شَجَرَۃٌ تَخۡرُجُ فِیۡۤ اَصۡلِ الۡجَحِیۡمِ ﴿ۙ۶۴﴾

037.096 WaAllahu khalaqakum wama taAAmaloona

96. Terwijl Allah u en uw handwerk heeft geschapen?"


طَلۡعُہَا کَاَنَّہٗ رُءُوۡسُ الشَّیٰطِیۡنِ ﴿۶۵﴾

037.097 Qaloo ibnoo lahu bunyanan faalqoohu fee aljaheemi

97. Zij zeiden: "Laat ons een omheining bouwen en hem in het vuur werpen."


فَاِنَّہُمۡ لَاٰکِلُوۡنَ مِنۡہَا فَمَالِـُٔوۡنَ مِنۡہَا الۡبُطُوۡنَ ﴿ؕ۶۶﴾

037.098 Faaradoo bihi kaydan fajaAAalnahumu al-asfaleena

98. En zij hadden een komplot tegen hem gesmeed, maar Wij vernederden hen.


ثُمَّ اِنَّ لَہُمۡ عَلَیۡہَا لَشَوۡبًا مِّنۡ حَمِیۡمٍ ﴿ۚ۶۷﴾

037.099 Waqala innee thahibun ila rabbee sayahdeeni

99. Hij zei: "Ik ga naar mijn Heer, Die zal mij leiden.


ثُمَّ اِنَّ مَرۡجِعَہُمۡ لَا۠ اِلَی الۡجَحِیۡمِ ﴿۶۸﴾

037.100 Rabbi hab lee mina alssaliheena

100. Mijn Heer, schenk mij een nakomeling die goed zal zijn."


اِنَّہُمۡ اَلۡفَوۡا اٰبَآءَہُمۡ ضَآلِّیۡنَ ﴿ۙ۶۹﴾

037.101 Fabashsharnahu bighulamin haleemin

101. Dan gaven Wij hem de blijde tijding van een verdraagzame zoon.


فَہُمۡ عَلٰۤی اٰثٰرِہِمۡ یُہۡرَعُوۡنَ ﴿۷۰﴾

037.102 Falamma balagha maAAahu alssaAAya qala ya bunayya innee ara fee almanami annee athbahuka faonthur matha tara qala ya abati ifAAal ma tu/maru satajidunee in shaa Allahu mina alssabireena

102. En toen deze de knapenleeftijd bereikte, zei hij: "O mijn lieve zoon, ik heb in een droom gezien, dat ik u heb te offeren. Zie, wat zegt u daarvan?" Deze antwoordde: "O mijn vader doe zoals u bevolen is, u zult mij, indien Allah het wil, zeker geduldig vinden."


وَ لَقَدۡ ضَلَّ قَبۡلَہُمۡ اَکۡثَرُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿ۙ۷۱﴾

037.103 Falamma aslama watallahu liljabeeni

103. En toen zij zich beiden aan (Gods bevel) hadden onderworpen, en hij hem plat op zijn voorhoofd had gelegd,


وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا فِیۡہِمۡ مُّنۡذِرِیۡنَ ﴿۷۲﴾

037.104 Wanadaynahu an ya ibraheemu

104. Riepen Wij hem toe: "O Abraham,


فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُنۡذَرِیۡنَ ﴿ۙ۷۳﴾

037.105 Qad saddaqta alrru/ya inna kathalika najzee almuhsineena

105. U heeft de droom reeds vervuld. Zo belonen Wij inderdaad degenen, die goed doen."


اِلَّا عِبَادَ اللّٰہِ الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿٪۷۴﴾

037.106 Inna hatha lahuwa albalao almubeenu

106. Dit was voorzeker een grote beproenng.


وَ لَقَدۡ نَادٰىنَا نُوۡحٌ فَلَنِعۡمَ الۡمُجِیۡبُوۡنَ ﴿۫ۖ۷۵﴾

037.107 Wafadaynahu bithibhin AAatheemin

107. En Wij verlosten hem door een groot offer.


وَ نَجَّیۡنٰہُ وَ اَہۡلَہٗ مِنَ الۡکَرۡبِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۫ۖ۷۶﴾

037.108 Watarakna AAalayhi fee al-akhireena

108. En Wij lieten voor hem onder de komende geslachten (de groet):


وَ جَعَلۡنَا ذُرِّیَّتَہٗ ہُمُ الۡبٰقِیۡنَ ﴿۫ۖ۷۷﴾

037.109 Salamun AAala ibraheema

109. "Vrede zij Abraham."


وَ تَرَکۡنَا عَلَیۡہِ فِی الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿۫ۖ۷۸﴾

037.110 Kathalika najzee almuhsineena

110. Zo belonen Wij hen die goed doen.


سَلٰمٌ عَلٰی نُوۡحٍ فِی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۷۹﴾

037.111 Innahu min AAibadina almu/mineena

111. Voorwaar, hij was één Onzer gelovige dienaren.


اِنَّا کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۸۰﴾

037.112 Wabashsharnahu bi-ishaqa nabiyyan mina alssaliheena

112. Wij gaven hem het blijde nieuws van Izaäk, een profeet onder de rechtvaardigen.


اِنَّہٗ مِنۡ عِبَادِنَا الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸۱﴾

037.113 Wabarakna AAalayhi waAAala ishaqa wamin thurriyyatihima muhsinun wathalimun linafsihi mubeenun

113. En Wij zegenden hem en Izaäk. En er zijn er onder hun nageslacht die goed doen en anderen die zichzelf openlijk onrecht aandoen.


ثُمَّ اَغۡرَقۡنَا الۡاٰخَرِیۡنَ ﴿۸۲﴾

037.114 Walaqad mananna AAala moosa waharoona

114. Wij bewezen inderdaad gunsten aan Mozes en Aäron.


وَ اِنَّ مِنۡ شِیۡعَتِہٖ لَاِبۡرٰہِیۡمَ ﴿ۘ۸۳﴾

037.115 Wanajjaynahuma waqawmahuma mina alkarbi alAAatheemi

115. En Wij redden hen beiden en hun volk uit een grote nood;


اِذۡ جَآءَ رَبَّہٗ بِقَلۡبٍ سَلِیۡمٍ ﴿۸۴﴾

037.116 Wanasarnahum fakanoo humu alghalibeena

116. En Wij hielpen hen (tegen de Egyptenaren) en zij waren het die de overwinning verkregen.


اِذۡ قَالَ لِاَبِیۡہِ وَ قَوۡمِہٖ مَاذَا تَعۡبُدُوۡنَ ﴿ۚ۸۵﴾

037.117 Waataynahuma alkitaba almustabeena

117. En Wij gaven hun het duidelijke boek.


اَئِفۡکًا اٰلِہَۃً دُوۡنَ اللّٰہِ تُرِیۡدُوۡنَ ﴿ؕ۸۶﴾

037.118 Wahadaynahuma alssirata almustaqeema

118. En leidden hen op het rechte pad.


فَمَا ظَنُّکُمۡ بِرَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸۷﴾

037.119 Watarakna AAalayhima fee al-akhireena

119. Wij lieten voor hen, onder de komende geslachten (de groet):


سَلٰمٌ عَلٰی مُوۡسٰی وَ ہٰرُوۡنَ ﴿۱۲۰﴾

037.120 Salamun AAala moosa waharoona

120. "Vrede zij Mozes en Aäron."


اِنَّا کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۲۱﴾

037.121 Inna kathalika najzee almuhsineena

121. Voorzeker zo belonen Wij degenen die goed doen.


اِنَّہُمَا مِنۡ عِبَادِنَا الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۲۲﴾

037.122 Innahuma min AAibadina almu/mineena

122. Voorwaar zij behoorden tot Onze gelovige dienaren.


وَ اِنَّ اِلۡیَاسَ لَمِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۲۳﴾ؕ

037.123 Wa-inna ilyasa lamina almursaleena

123. En Elias was óók een der boodschappers


اِذۡ قَالَ لِقَوۡمِہٖۤ اَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۱۲۴﴾

037.124 Ith qala liqawmihi ala tattaqoona

124. Toen hij tot zijn volk zeide, "Wilt u niet godvruchtig zijn?


اَتَدۡعُوۡنَ بَعۡلًا وَّ تَذَرُوۡنَ اَحۡسَنَ الۡخَالِقِیۡنَ ﴿۱۲۵﴾ۙ

037.125 AtadAAoona baAAlan watatharoona ahsana alkhaliqeena

125. Wilt u Baäl aanroepen en de beste Schepper verzaken,


اللّٰہَ رَبَّکُمۡ وَ رَبَّ اٰبَآئِکُمُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۲۶﴾

037.126 Allaha rabbakum warabba aba-ikumu al-awwaleena

126. Allah, uw Heer en de Heer uwer voorvaderen?"


فَکَذَّبُوۡہُ فَاِنَّہُمۡ لَمُحۡضَرُوۡنَ ﴿۱۲۷﴾ۙ

037.127 Fakaththaboohu fa-innahum lamuhdaroona

127. Maar zij verloochenden hem en zij zullen zeker worden overgeleverd.


اِلَّا عِبَادَ اللّٰہِ الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿۱۲۸﴾

037.128 Illa AAibada Allahi almukhlaseena

128. Met uitzondering der uitverkoren dienaren van Allah.


وَ تَرَکۡنَا عَلَیۡہِ فِی الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿۱۲۹﴾ۙ

037.129 Watarakna AAalayhi fee al-akhireena

129. En Wij lieten voor hem onder de komende geslachten (de groet):


سَلٰمٌ عَلٰۤی اِلۡ یَاسِیۡنَ ﴿۱۳۰﴾

037.130 Salamun AAala il yaseena

130. "Vrede zij Elias."


اِنَّا کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۳۱﴾

037.131 Inna kathalika najzee almuhsineena

131. Voorzeker zo belonen Wij degenen, die goed doen.


اِنَّہٗ مِنۡ عِبَادِنَا الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۳۲﴾

037.132 Innahu min AAibadina almu/mineena

132. Voorwaar, hij was één Onzer gelovige dienaren.


وَ اِنَّ لُوۡطًا لَّمِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۳۳﴾ؕ

037.133 Wa-inna lootan lamina almursaleena

133. En Lot was voorzeker óók een der boodschappers.


اِذۡ نَجَّیۡنٰہُ وَ اَہۡلَہٗۤ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۱۳۴﴾ۙ

037.134 Ith najjaynahu waahlahu ajmaAAeena

134. Toen Wij hem en zijn familieleden redden,


اِلَّا عَجُوۡزًا فِی الۡغٰبِرِیۡنَ ﴿۱۳۵﴾

037.135 Illa AAajoozan fee alghabireena

135. Met uitzoudering van zijn vrouw die tot de achterblijvenden behoorde.


ثُمَّ دَمَّرۡنَا الۡاٰخَرِیۡنَ ﴿۱۳۶﴾

037.136 Thumma dammarna al-akhareena

136. En Wij vernietigden de anderen.


وَ اِنَّکُمۡ لَتَمُرُّوۡنَ عَلَیۡہِمۡ مُّصۡبِحِیۡنَ ﴿۱۳۷﴾

037.137 Wa-innakum latamurroona AAalayhim musbiheena

137. En u gaat hen (de plaats waar dezen woonden) zeker 's morgens voorbij


وَ بِالَّیۡلِ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۱۳۸﴾٪

037.138 Wabiallayli afala taAAqiloona

138. En 's avonds. Wilt u dan niet begrijpen?


وَ اِنَّ یُوۡنُسَ لَمِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۳۹﴾ؕ

037.139 Wa-inna yoonusa lamina almursaleena

139. En Jonas was voorzeker ook een der boodchappers.


اِذۡ اَبَقَ اِلَی الۡفُلۡکِ الۡمَشۡحُوۡنِ ﴿۱۴۰﴾ۙ

037.140 Ith abaqa ila alfulki almashhooni

140. Toen hij in het geladen schip vluchtte,


فَسَاہَمَ فَکَانَ مِنَ الۡمُدۡحَضِیۡنَ ﴿۱۴۱﴾ۚ

037.141 Fasahama fakana mina almudhadeena

141. En hij lootte en werd (overboord) geworpen.


فَالۡتَقَمَہُ الۡحُوۡتُ وَ ہُوَ مُلِیۡمٌ ﴿۱۴۲﴾

037.142 Failtaqamahu alhootu wahuwa muleemun

142. Een grote vis slokte hem op terwijl hij zelfverwijt had.


فَلَوۡ لَاۤ اَنَّہٗ کَانَ مِنَ الۡمُسَبِّحِیۡنَ ﴿۱۴۳﴾ۙ

037.143 Falawla annahu kana mina almusabbiheena

143. Indien hij niet behoorde tot hen die Ons verheerlijken,


لَلَبِثَ فِیۡ بَطۡنِہٖۤ اِلٰی یَوۡمِ یُبۡعَثُوۡنَ ﴿۱۴۴﴾ۚؒ

037.144 Lalabitha fee batnihi ila yawmi yubAAathoona

144. Dan zou hij in diens buik zijn gebleven tot de Dag der Opstanding.


فَنَبَذۡنٰہُ بِالۡعَرَآءِ وَ ہُوَ سَقِیۡمٌ ﴿۱۴۵﴾ۚ

037.145 Fanabathnahu bialAAara-i wahuwa saqeemun

145. Wij wierpen hem op een kaal strand terwijl hij ziek was.


وَ اَنۡۢبَتۡنَا عَلَیۡہِ شَجَرَۃً مِّنۡ یَّقۡطِیۡنٍ ﴿۱۴۶﴾ۚ

037.146 Waanbatna AAalayhi shajaratan min yaqteenin

146. En Wij lieten een pompoen voor hem opgroeien.


وَ اَرۡسَلۡنٰہُ اِلٰی مِائَۃِ اَلۡفٍ اَوۡ یَزِیۡدُوۡنَ ﴿۱۴۷﴾ۚ

037.147 Waarsalnahu ila mi-ati alfin aw yazeedoona

147. En Wij zonden hem als boodschapper tot honderdduizend of meer mensen.


فَاٰمَنُوۡا فَمَتَّعۡنٰہُمۡ اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۱۴۸﴾ؕ

037.148 Faamanoo famattaAAnahum ila heenin

148. En zij geloofden, daarom gaven Wij hun voor een korte tijd de voorziening (van dit leven).


فَاسۡتَفۡتِہِمۡ اَلِرَبِّکَ الۡبَنَاتُ وَ لَہُمُ الۡبَنُوۡنَ ﴿۱۴۹﴾ۙ

037.149 Faistaftihim alirabbika albanatu walahumu albanoona

149. Vraag hun nu of hun Heer dochters heeft terwijl zij zonen hebben?


اَمۡ خَلَقۡنَا الۡمَلٰٓئِکَۃَ اِنَاثًا وَّ ہُمۡ شٰہِدُوۡنَ ﴿۱۵۰﴾

037.150 Am khalaqna almala-ikata inathan wahum shahidoona

150. Hebben Wij de engelen als vrouwelijke wezens geschapen, terwijl zij getuigen waren?


اَلَاۤ اِنَّہُمۡ مِّنۡ اِفۡکِہِمۡ لَیَقُوۡلُوۡنَ ﴿۱۵۱﴾ۙ

037.151 Ala innahum min ifkihim layaqooloona

151. Welnu, door hun verzinsel zeggen zij:


وَلَدَ اللّٰہُ ۙ وَ اِنَّہُمۡ لَکٰذِبُوۡنَ ﴿۱۵۲﴾

037.152 Walada Allahu wa-innahum lakathiboona

152. "Allah heeft verwekt." Maar zij zijn stellig leugenaars.


اَصۡطَفَی الۡبَنَاتِ عَلَی الۡبَنِیۡنَ ﴿۱۵۳﴾ؕ

037.153 Astafa albanati AAala albaneena

153. "Heeft Hij dochters gekozen boven zonen?


مَا لَکُمۡ ۟ کَیۡفَ تَحۡکُمُوۡنَ ﴿۱۵۴﴾

037.154 Ma lakum kayfa tahkumoona

154. Wat scheelt u? Hoe oordeelt u?


اَفَلَا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۱۵۵﴾ۚ

037.155 Afala tathakkaroona

155. Wilt u dan niet nadenken?


اَمۡ لَکُمۡ سُلۡطٰنٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۱۵۶﴾ۙ

037.156 Am lakum sultanun mubeenun

156. Of heeft u een duidelijk bewijs?


فَاۡتُوۡا بِکِتٰبِکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۱۵۷﴾

037.157 Fa/too bikitabikum in kuntum sadiqeena

157. Toont dan uw Boek, indien u waarachtig bent."


وَ جَعَلُوۡا بَیۡنَہٗ وَ بَیۡنَ الۡجِنَّۃِ نَسَبًا ؕ وَ لَقَدۡ عَلِمَتِ الۡجِنَّۃُ اِنَّہُمۡ لَمُحۡضَرُوۡنَ ﴿۱۵۸﴾ۙ

037.158 WajaAAaloo baynahu wabayna aljinnati nasaban walaqad AAalimati aljinnatu innahum lamuhdaroona

158. En zij beweren een bloedverwantschap tussen Hem en de djinn, terwijl de djinn zeer goed weten, dat zij voor Hem zullen worden gebracht.


سُبۡحٰنَ اللّٰہِ عَمَّا یَصِفُوۡنَ ﴿۱۵۹﴾ۙ

037.159 Subhana Allahi AAamma yasifoona

159. Verheven is Allah boven hetgeen zij zeggen.


اِلَّا عِبَادَ اللّٰہِ الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿۱۶۰﴾

037.160 Illa AAibada Allahi almukhlaseena

160. Met uitzondering van de uitverkoren dienaren van Allah.


فَاِنَّکُمۡ وَ مَا تَعۡبُدُوۡنَ ﴿۱۶۱﴾ۙ

037.161 Fa-innakum wama taAAbudoona

161. Voorwaar, u en wat u aanbidt,


مَاۤ اَنۡتُمۡ عَلَیۡہِ بِفٰتِنِیۡنَ ﴿۱۶۲﴾ۙ

037.162 Ma antum AAalayhi bifatineena

162. U kunt niemand verleiden tegen Hem.


اِلَّا مَنۡ ہُوَ صَالِ الۡجَحِیۡمِ ﴿۱۶۳﴾

037.163 Illa man huwa sali aljaheemi

163. Behalve hem die het Vuur zal binnengaan.


وَ مَا مِنَّاۤ اِلَّا لَہٗ مَقَامٌ مَّعۡلُوۡمٌ ﴿۱۶۴﴾ۙ

037.164 Wama minna illa lahu maqamun maAAloomun

164. En er is niet één onzer of hij heeft een vaste plaats.


وَّ اِنَّا لَنَحۡنُ الصَّآفُّوۡنَ ﴿۱۶۵﴾ۚ

037.165 Wa-inna lanahnu alssaffoona

165. Waarlijk wij zijn degenen die in rijen gerangschikt zijn.


وَ اِنَّا لَنَحۡنُ الۡمُسَبِّحُوۡنَ ﴿۱۶۶﴾

037.166 Wa-inna lanahnu almusabbihoona

166. En voorzeker wij verheerlijken (God).


وَ اِنۡ کَانُوۡا لَیَقُوۡلُوۡنَ ﴿۱۶۷﴾ۙ

037.167 Wa-in kanoo layaqooloona

167. En zij plachten te zeggen:


لَوۡ اَنَّ عِنۡدَنَا ذِکۡرًا مِّنَ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۱۶۸﴾ۙ

037.168 Law anna AAindana thikran mina al-awwaleena

168. "Als wij een vermaning hadden gehad van de ouden.


لَکُنَّا عِبَادَ اللّٰہِ الۡمُخۡلَصِیۡنَ ﴿۱۶۹﴾

037.169 Lakunna AAibada Allahi almukhlaseena

169. Zouden wij zeker Allah's uitverkoren dienaren zijn geworden."


فَکَفَرُوۡا بِہٖ فَسَوۡفَ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۷۰﴾

037.170 Fakafaroo bihi fasawfa yaAAlamoona

170. Toch verwerpen zij deze, maar zij zullen het weldra te weten komen.


وَ لَقَدۡ سَبَقَتۡ کَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۷۱﴾ۚۖ

037.171 Walaqad sabaqat kalimatuna liAAibadina almursaleena

171. En waarlijk, Ons woord aangaande Onze dienaren, de boodschappers, is reeds uitgesproken.


اِنَّہُمۡ لَہُمُ الۡمَنۡصُوۡرُوۡنَ ﴿۱۷۲﴾۪

037.172 Innahum lahumu almansooroona

172. Voorzeker, zij zijn het die geholpen zullen worden.


وَ اِنَّ جُنۡدَنَا لَہُمُ الۡغٰلِبُوۡنَ ﴿۱۷۳﴾

037.173 Wa-inna jundana lahumu alghaliboona

173. En Onze schare is gewis overwinnaar.


فَتَوَلَّ عَنۡہُمۡ حَتّٰی حِیۡنٍ ﴿۱۷۴﴾ۙ

037.174 Fatawalla AAanhum hatta heenin

174. Wend u daarom voor een wijle van hen af.


وَّ اَبۡصِرۡہُمۡ فَسَوۡفَ یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۱۷۵﴾

037.175 Waabsirhum fasawfa yubsiroona

175. En sla hen gade; want zij zullen het weldra inzien


اَفَبِعَذَابِنَا یَسۡتَعۡجِلُوۡنَ ﴿۱۷۶﴾

037.176 AfabiAAathabina yastaAAjiloona

176. Willen zij dan Onze straf verhaasten?


فَاِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِہِمۡ فَسَآءَ صَبَاحُ الۡمُنۡذَرِیۡنَ ﴿۱۷۷﴾

037.177 Fa-itha nazala bisahatihim fasaa sabahu almunthareena

177. Maar wanneer deze op hun land nederdaalt zal de dag slecht zijn voor degenen, die werden gewaarschuwd.


وَ تَوَلَّ عَنۡہُمۡ حَتّٰی حِیۡنٍ ﴿۱۷۸﴾ۙ

037.178 Watawalla AAanhum hatta heenin

178. Wend u daarom voor een wijle van hen af.


وَّ اَبۡصِرۡ فَسَوۡفَ یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۱۷۹﴾

037.179 Waabsir fasawfa yubsiroona

179. En let op, zij zullen het weldra inzien.


سُبۡحٰنَ رَبِّکَ رَبِّ الۡعِزَّۃِ عَمَّا یَصِفُوۡنَ ﴿۱۸۰﴾ۚ

037.180 Subhana rabbika rabbi alAAizzati AAamma yasifoona

180. Verheven is uw Heer, de Heer van Roem en Macht, boven hetgeen zij zeggen!


وَ سَلٰمٌ عَلَی الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۸۱﴾ۚ

037.181 Wasalamun AAala almursaleena

181. En vrede zij de boodschappers!


وَ الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۸۲﴾٪

037.182 Waalhamdu lillahi rabbi alAAalameena

182. En alle roem behoort aan Allah, de Heer der Werelden.

Terug naar boven Go down
Profiel bekijken http://ummatun-wahida.1forum.biz
 
Surah As-Saaffaat
Vorige onderwerp Volgende onderwerp Terug naar boven 
Pagina 1 van 1

Permissies van dit forum:Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum
UMMATUN WAHIDA :: Quran :: Volledige Quran: Arabisch, Nederlandse interpretatie en fonetisch-
Ga naar: