UMMATUN WAHIDA
وَ اِنَّ ہٰذِہٖۤ اُمَّتُکُمۡ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً وَّ اَنَا رَبُّکُمۡ فَاتَّقُوۡنِ ۵۲﴾
Wa-inna hathihi ommatukum ommatan wahidatan waana rabbukum faittaqooni

En voorwaar, deze godsdienst (de Islam) is jullie godsdienst, de enigste. En Ik ben jullie Heer, vreest Mij daarom.
{Qs al Muminun ayah 52}

UMMATUN WAHIDA

Wa-inna hathihi ommatukum UMMATUN WAHIDATAN waana rabbukum faittaqooni En voorwaar, deze godsdienst (de Islam) is jullie godsdienst, de enigste. En Ik ben jullie Heer, vreest Mij daarom.
 
IndexZoekenRegistrerenInloggen

Deel | 
 

 Surah Az-Dzaari'jaat

Vorige onderwerp Volgende onderwerp Go down 
AuteurBericht
Ummatun_wahida
Admin
avatar

Aantal berichten : 419
Registratiedatum : 09-12-12

BerichtOnderwerp: Surah Az-Dzaari'jaat   za jan 12, 2013 1:38 pm


بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ

وَالذّٰرِیٰتِ ذَرۡوًا ۙ﴿۱﴾

051.001 Waalththariyati tharwan

1. (Wij roepen als getuigen) degenen die wijd en zijd verspreiden,


فَالۡحٰمِلٰتِ وِقۡرًا ۙ﴿۲﴾

051.002 Faalhamilati wiqran

2. En degenen die de last dragen,


فَالۡجٰرِیٰتِ یُسۡرًا ۙ﴿۳﴾

051.003 Faaljariyati yusran

3. En degenen die rustig voortgaan,


فَالۡمُقَسِّمٰتِ اَمۡرًا ۙ﴿۴﴾

051.004 Faalmuqassimati amran

4. En degenen die de zaak uitdelen.


اِنَّمَا تُوۡعَدُوۡنَ لَصَادِقٌ ۙ﴿۵﴾

051.005 Innama tooAAadoona lasadiqun

5. Voorzeker, hetgeen u is beloofd, is waar,


وَّ اِنَّ الدِّیۡنَ لَوَاقِعٌ ؕ﴿۶﴾

051.006 Wa-inna alddeena lawaqiAAun

6. En voorwaar, het gericht zal zeker plaats hebben.


وَ السَّمَآءِ ذَاتِ الۡحُبُکِ ۙ﴿۷﴾

051.007 Waalssama-i thati alhubuki

7. Bij de hemelen vol van paden,


اِنَّکُمۡ لَفِیۡ قَوۡلٍ مُّخۡتَلِفٍ ۙ﴿۸﴾

051.008 Innakum lafee qawlin mukhtalifin

8. Waarlijk u heeft uiteenlopende meningen,


یُّؤۡفَکُ عَنۡہُ مَنۡ اُفِکَ ﴿ؕ۹﴾

051.009 Yu/faku AAanhu man ofika

9. Daarvan wordt afgewend wie zich (van het ware geloof) afwendt.


قُتِلَ الۡخَرّٰصُوۡنَ ﴿ۙ۱۰﴾

051.010 Qutila alkharrasoona

10. Vervloekt zijn zij die vermoedens uiten.


الَّذِیۡنَ ہُمۡ فِیۡ غَمۡرَۃٍ سَاہُوۡنَ ﴿ۙ۱۱﴾

051.011 Allatheena hum fee ghamratin sahoona

11. Die onachtzaam zijn in onwetendheid.


یَسۡـَٔلُوۡنَ اَیَّانَ یَوۡمُ الدِّیۡنِ ﴿ؕ۱۲﴾

051.012 Yas-aloona ayyana yawmu alddeeni

12. Zij vragen: "Wanneer zal de Tijd des Gerichts zijn?"


یَوۡمَ ہُمۡ عَلَی النَّارِ یُفۡتَنُوۡنَ ﴿۱۳﴾

051.013 Yawma hum AAala alnnari yuftanoona

13. Het zal op de Dag zijn, wanneer zij in het Vuur zullen worden beproefd.


ذُوۡقُوۡا فِتۡنَتَکُمۡ ؕ ہٰذَا الَّذِیۡ کُنۡتُمۡ بِہٖ تَسۡتَعۡجِلُوۡنَ ﴿۱۴﴾

051.014 Thooqoo fitnatakum hatha allathee kuntum bihi tastaAAjiloona

14. "Ondergaat uw beproeving. Dit is hetgeen u verhaastte."


اِنَّ الۡمُتَّقِیۡنَ فِیۡ جَنّٰتٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿ۙ۱۵﴾

051.015 Inna almuttaqeena fee jannatin waAAuyoonin

15. Maar de rechtvaardigen zullen te midden van tuinen en bronnen verkeren,


اٰخِذِیۡنَ مَاۤ اٰتٰہُمۡ رَبُّہُمۡ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَبۡلَ ذٰلِکَ مُحۡسِنِیۡنَ ﴿ؕ۱۶﴾

051.016 Akhitheena ma atahum rabbuhum innahum kanoo qabla thalika muhsineena

16. Nemend hetgeen hun Heer zal geven omdat zij voorheen goed plachten te doen.


کَانُوۡا قَلِیۡلًا مِّنَ الَّیۡلِ مَا یَہۡجَعُوۡنَ ﴿۱۷﴾

051.017 Kanoo qaleelan mina allayli ma yahjaAAoona

17. Gedurende de nacht sliepen zij weinig.


وَ بِالۡاَسۡحَارِ ہُمۡ یَسۡتَغۡفِرُوۡنَ ﴿۱۸﴾

051.018 Wabial-ashari hum yastaghfiroona

18. Tijdens de morgenstond zochten zij vergiffenis.


وَ فِیۡۤ اَمۡوَالِہِمۡ حَقٌّ لِّلسَّآئِلِ وَ الۡمَحۡرُوۡمِ ﴿۱۹﴾

051.019 Wafee amwalihim haqqun lilssa-ili waalmahroomi

19. En van hun rijkdommen was een deel voor de bedelaars en ook voor degenen die niet konden bedelen.


وَ فِی الۡاَرۡضِ اٰیٰتٌ لِّلۡمُوۡقِنِیۡنَ ﴿ۙ۲۰﴾

051.020 Wafee al-ardi ayatun lilmooqineena

20. En er zijn tekenen op aarde voor hen die zekerheid van geloof willen hebben,


وَ فِیۡۤ اَنۡفُسِکُمۡ ؕ اَفَلَا تُبۡصِرُوۡنَ ﴿۲۱﴾

051.021 Wafee anfusikum afala tubsiroona

21. En ook in uzelf, wilt u dat niet inzien?


وَ فِی السَّمَآءِ رِزۡقُکُمۡ وَ مَا تُوۡعَدُوۡنَ ﴿۲۲﴾

051.022 Wafee alssama-i rizqukum wama tooAAadoona

22. En in de hemel is uw onderhoud en hetgeen u is beloofd.


فَوَ رَبِّ السَّمَآءِ وَ الۡاَرۡضِ اِنَّہٗ لَحَقٌّ مِّثۡلَ مَاۤ اَنَّکُمۡ تَنۡطِقُوۡنَ ﴿٪۲۳﴾

051.023 Fawarabbi alssama-i waal-ardi innahu lahaqqun mithla ma annakum tantiqoona

23. Bij de Heer van de hemel en de aarde - dit is inderdaad de waarheid zoals u spreekt.


ہَلۡ اَتٰىکَ حَدِیۡثُ ضَیۡفِ اِبۡرٰہِیۡمَ الۡمُکۡرَمِیۡنَ ﴿ۘ۲۴﴾

051.024 Hal ataka hadeethu dayfi ibraheema almukrameena

24. Heeft het verhaal van Abrahams geëerde gasten u bereikt?


اِذۡ دَخَلُوۡا عَلَیۡہِ فَقَالُوۡا سَلٰمًا ؕ قَالَ سَلٰمٌ ۚ قَوۡمٌ مُّنۡکَرُوۡنَ ﴿ۚ۲۵﴾

051.025 Ith dakhaloo AAalayhi faqaloo salaman qala salamun qawmun munkaroona

25. Toen zij bij hem binnentraden en zeiden: "Vrede", antwoordde hij: "Vrede". Hij zei (bij zichzelven): "Vreemde mensen."


فَرَاغَ اِلٰۤی اَہۡلِہٖ فَجَآءَ بِعِجۡلٍ سَمِیۡنٍ ﴿ۙ۲۶﴾

051.026 Faragha ila ahlihi fajaa biAAijlin sameenin

26. Maar hij ging rustig naar zijn gezin en bracht een (toebereid) vet kalf.


فَقَرَّبَہٗۤ اِلَیۡہِمۡ قَالَ اَلَا تَاۡکُلُوۡنَ ﴿۫۲۷﴾

051.027 Faqarrabahu ilayhim qala ala ta/kuloona

27. En plaatste het voor hen. Hij zei: "Wilt u niet eten?"


فَاَوۡجَسَ مِنۡہُمۡ خِیۡفَۃً ؕ قَالُوۡا لَا تَخَفۡ ؕ وَ بَشَّرُوۡہُ بِغُلٰمٍ عَلِیۡمٍ ﴿۲۸﴾

051.028 Faawjasa minhum kheefatan qaloo la takhaf wabashsharoohu bighulamin AAaleemin

28. Daarop begon hij hen te vrezen. Zij zeiden: "Vrees niet" en zij gaven hem blijde tijding over een wijze zoon.


فَاَقۡبَلَتِ امۡرَاَتُہٗ فِیۡ صَرَّۃٍ فَصَکَّتۡ وَجۡہَہَا وَ قَالَتۡ عَجُوۡزٌ عَقِیۡمٌ ﴿۲۹﴾

051.029 Faaqbalati imraatuhu fee sarratin fasakkat wajhaha waqalat AAajoozun AAaqeemun

29. Toen kwam zijn vrouw, in verbijstering en sloeg de hand voor het gezicht en zei: "Een verwelkte, bejaarde vrouw!"


قَالُوۡا کَذٰلِکِ ۙ قَالَ رَبُّکِ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ الۡحَکِیۡمُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۳۰﴾

051.030 Qaloo kathaliki qala rabbuki innahu huwa alhakeemu alAAaleemu

30. "Uw Heer heeft het zo gezegd," zeiden zij. "Voorzeker, Hij is de Alwijze, de Alwetende."


قَالَ فَمَا خَطۡبُکُمۡ اَیُّہَا الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۳۱﴾

051.031 Qala fama khatbukum ayyuha almursaloona

31. Abraham zei: "Wat is uw taak, o boodsehappers?"


قَالُوۡۤا اِنَّاۤ اُرۡسِلۡنَاۤ اِلٰی قَوۡمٍ مُّجۡرِمِیۡنَ ﴿ۙ۳۲﴾

051.032 Qaloo inna orsilna ila qawmin mujrimeena

32. Zij antwoordden: "Wij zijn naar een schuldig volk gezonden


لِنُرۡسِلَ عَلَیۡہِمۡ حِجَارَۃً مِّنۡ طِیۡنٍ ﴿ۙ۳۳﴾

051.033 Linursila AAalayhim hijaratan min teenin

33. Om brokken klei op hen neder te zenden


مُّسَوَّمَۃً عِنۡدَ رَبِّکَ لِلۡمُسۡرِفِیۡنَ ﴿۳۴﴾

051.034 Musawwamatan AAinda rabbika lilmusrifeena

34. Door uw Heer gemerkt (ter verdelging) voor de buitensporigen."


فَاَخۡرَجۡنَا مَنۡ کَانَ فِیۡہَا مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿ۚ۳۵﴾

051.035 Faakhrajna man kana feeha mina almu/mineena

35. De gelovigen die daarin waren lieten Wij (veilig) weggaan.


فَمَا وَجَدۡنَا فِیۡہَا غَیۡرَ بَیۡتٍ مِّنَ الۡمُسۡلِمِیۡنَ ﴿ۚ۳۶﴾

051.036 Fama wajadna feeha ghayra baytin mina almuslimeena

36. Maar Wij vonden er slechts één huis der Moslims.


وَ تَرَکۡنَا فِیۡہَاۤ اٰیَۃً لِّلَّذِیۡنَ یَخَافُوۡنَ الۡعَذَابَ الۡاَلِیۡمَ ﴿ؕ۳۷﴾

051.037 Watarakna feeha ayatan lillatheena yakhafoona alAAathaba al-aleema

37. En Wij lieten daarin een teken achter voor hen, die de pijnlijke straf vrezen.


وَ فِیۡ مُوۡسٰۤی اِذۡ اَرۡسَلۡنٰہُ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ بِسُلۡطٰنٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۳۸﴾

051.038 Wafee moosa ith arsalnahu ila firAAawna bisultanin mubeenin

38. En in Mozes (is eveneens een teken), toen Wij hem tot Pharao zonden met openlijk gezag.


فَتَوَلّٰی بِرُکۡنِہٖ وَ قَالَ سٰحِرٌ اَوۡ مَجۡنُوۡنٌ ﴿۳۹﴾

051.039 Fatawalla biruknihi waqala sahirun aw majnoonun

39. Maar deze wendde zich af om zijn macht en zei: "Een tovenaar of een waanzinnige."


فَاَخَذۡنٰہُ وَ جُنُوۡدَہٗ فَنَبَذۡنٰہُمۡ فِی الۡیَمِّ وَ ہُوَ مُلِیۡمٌ ﴿ؕ۴۰﴾

051.040 Faakhathnahu wajunoodahu fanabathnahum fee alyammi wahuwa muleemun

40. Daarom grepen Wij hem en zijn scharen en wierpen hen in de zee, waardoor hij zelfverwijt kreeg.


وَ فِیۡ عَادٍ اِذۡ اَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمُ الرِّیۡحَ الۡعَقِیۡمَ ﴿ۚ۴۱﴾

051.041 Wafee AAadin ith arsalna AAalayhimu alrreeha alAAaqeema

41. En er was een teken in de Aad, toen Wij een orkaan tegen hen zonden.


مَا تَذَرُ مِنۡ شَیۡءٍ اَتَتۡ عَلَیۡہِ اِلَّا جَعَلَتۡہُ کَالرَّمِیۡمِ ﴿ؕ۴۲﴾

051.042 Ma tatharu min shay-in atat AAalayhi illa jaAAalat-hu kaalrrameemi

42. Deze liet van hetgeen hij teisterde niets over of hij maakte het als as,


وَ فِیۡ ثَمُوۡدَ اِذۡ قِیۡلَ لَہُمۡ تَمَتَّعُوۡا حَتّٰی حِیۡنٍ ﴿۴۳﴾

051.043 Wafee thamooda ith qeela lahum tamattaAAoo hatta heenin

43. En er was een teken in de Samoed toen er tot hen werd gezegd: "Vermaakt u voor een wijle."


فَعَتَوۡا عَنۡ اَمۡرِ رَبِّہِمۡ فَاَخَذَتۡہُمُ الصّٰعِقَۃُ وَ ہُمۡ یَنۡظُرُوۡنَ ﴿۴۴﴾

051.044 FaAAataw AAan amri rabbihim faakhathat-humu alssaAAiqatu wahum yanthuroona

44. Maar zij overtraden het gebod van hun Heer. Daarom achterhaalde hen de bliksem terwijl zij er naar keken,


فَمَا اسۡتَطَاعُوۡا مِنۡ قِیَامٍ وَّ مَا کَانُوۡا مُنۡتَصِرِیۡنَ ﴿ۙ۴۵﴾

051.045 Fama istataAAoo min qiyamin wama kanoo muntasireena

45. En zij konden niet opstaan noch konden zij zich hiertegen beschermen.


وَ قَوۡمَ نُوۡحٍ مِّنۡ قَبۡلُ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَوۡمًا فٰسِقِیۡنَ ﴿٪۴۶﴾

051.046 Waqawma noohin min qablu innahum kanoo qawman fasiqeena

46. En in het volk van Noach (is ook een teken), voorwaar zij waren een ongehoorzaam volk.


وَ السَّمَآءَ بَنَیۡنٰہَا بِاَیۡىدٍ وَّ اِنَّا لَمُوۡسِعُوۡنَ ﴿۴۷﴾

051.047 Waalssamaa banaynaha bi-aydin wa-inna lamoosiAAoona

47. Voorzeker Wij bouwden de hemel door Onze macht en waarlijk Wij zin het, Die hem hebben uitgebreid.


وَ الۡاَرۡضَ فَرَشۡنٰہَا فَنِعۡمَ الۡمٰہِدُوۡنَ ﴿۴۸﴾

051.048 Waal-arda farashnaha faniAAma almahidoona

48. En Wij hebben de aarde uitgespreid en hoe uitmuntend hebben Wij dit gedaan.


وَ مِنۡ کُلِّ شَیۡءٍ خَلَقۡنَا زَوۡجَیۡنِ لَعَلَّکُمۡ تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۴۹﴾

051.049 Wamin kulli shay-in khalaqna zawjayni laAAallakum tathakkaroona

49. En Wij hebben alles in paren geschapen opdat u er lering uit moogt trekken.


فَفِرُّوۡۤا اِلَی اللّٰہِ ؕ اِنِّیۡ لَکُمۡ مِّنۡہُ نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۚ۵۰﴾

051.050 Fafirroo ila Allahi innee lakum minhu natheerun mubeenun

50. Haast u daarom tot Allah. Waarlijk ik ben voor u een duidelijke waarschuwer van Hem.


وَ لَا تَجۡعَلُوۡا مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ ؕ اِنِّیۡ لَکُمۡ مِّنۡہُ نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿ۚ۵۱﴾

051.051 Wala tajAAaloo maAAa Allahi ilahan akhara innee lakum minhu natheerun mubeenun

51. En werpt geen andere God op naast Allah, waarlijk ik ben voor u een duidelijke waarschuwer van Hem.


کَذٰلِکَ مَاۤ اَتَی الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ مِّنۡ رَّسُوۡلٍ اِلَّا قَالُوۡا سَاحِرٌ اَوۡ مَجۡنُوۡنٌ ﴿ۚ۵۲﴾

051.052 Kathalika ma ata allatheena min qablihim min rasoolin illa qaloo sahirun aw majnoonun

52. En er kwam tot degenen, die vóór hen waren, geen boodschapper of zij zeiden: "Dit is een tovenaar of een bezetene!"


اَتَوَاصَوۡا بِہٖ ۚ بَلۡ ہُمۡ قَوۡمٌ طَاغُوۡنَ ﴿ۚ۵۳﴾

051.053 Atawasaw bihi bal hum qawmun taghoona

53. Hebben zij elkander er toe aangespoord? Nee, zij zijn een opstandig volk.


فَتَوَلَّ عَنۡہُمۡ فَمَاۤ اَنۡتَ بِمَلُوۡمٍ ﴿٭۫۵۴﴾

051.054 Fatawalla AAanhum fama anta bimaloomin

54. Wend u daarom van hen af en u zal niets worden verweten.


وَّ ذَکِّرۡ فَاِنَّ الذِّکۡرٰی تَنۡفَعُ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۵۵﴾

051.055 Wathakkir fa-inna alththikra tanfaAAu almu/mineena

55. Maar ga door met het vermanen want de vermaning helpt degenen die willen geloven.


وَ مَا خَلَقۡتُ الۡجِنَّ وَ الۡاِنۡسَ اِلَّا لِیَعۡبُدُوۡنِ ﴿۵۶﴾

051.056 Wama khalaqtu aljinna waal-insa illa liyaAAbudooni

56. En ik heb de djinn en de mensen slechts tot Mijn aanbidding geschapen.


مَاۤ اُرِیۡدُ مِنۡہُمۡ مِّنۡ رِّزۡقٍ وَّ مَاۤ اُرِیۡدُ اَنۡ یُّطۡعِمُوۡنِ ﴿۵۷﴾

051.057 Ma oreedu minhum min rizqin wama oreedu an yutAAimooni

57. Ik wens van hen geen onderhoud noch wens Ik dat zij Mij zullen voeden.


اِنَّ اللّٰہَ ہُوَ الرَّزَّاقُ ذُو الۡقُوَّۃِ الۡمَتِیۡنُ ﴿۵۸﴾

051.058 Inna Allaha huwa alrrazzaqu thoo alquwwati almateenu

58. Voorzeker, Allah is de grootste Voorziener, de Almachtige, de Alsterke.


فَاِنَّ لِلَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا ذَنُوۡبًا مِّثۡلَ ذَنُوۡبِ اَصۡحٰبِہِمۡ فَلَا یَسۡتَعۡجِلُوۡنِ ﴿۵۹﴾

051.059 Fa-inna lillatheena thalamoo thanooban mithla thanoobi as-habihim fala yastaAAjiloona

59. Voorzeker het lot der onrechtvaardigen is gelijk aan dat van hun gezellen. Laat hen derhalve niet wensen dit te verhaasten.


فَوَیۡلٌ لِّلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ یَّوۡمِہِمُ الَّذِیۡ یُوۡعَدُوۡنَ ﴿٪۶۰﴾

051.060 Fawaylun lillatheena kafaroo min yawmihimu allathee yooAAadoona

60. Wee over de ongelovigen vanwege de Dag waarmede zij worden bedreigd!
Terug naar boven Go down
Profiel bekijken http://ummatun-wahida.1forum.biz
 
Surah Az-Dzaari'jaat
Vorige onderwerp Volgende onderwerp Terug naar boven 
Pagina 1 van 1

Permissies van dit forum:Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum
UMMATUN WAHIDA :: Quran :: Volledige Quran: Arabisch, Nederlandse interpretatie en fonetisch-
Ga naar: